Briljant, afgewezen en ontgoocheld

Geboren in een goedburgerlijk joods-Berlijns milieu lukt het deze filosoof door tegenwerking niet de carrière op te bouwen waar hij naar verlangt. Zijn lijvige biografie leest als een verdrietig verhaal.

Bij Walter Benjamin herrijst het Berlijn van debelle époque dat hij als kind had gekend
Bij Walter Benjamin herrijst het Berlijn van debelle époque dat hij als kind had gekend Foto Uitgeverij Vantilt

Op 7 december 1929 laat Walter Benjamin in een radio-uitzending ongewild doorschemeren wat ruim tien jaar later mede de oorzaak zal worden van zijn vroegtijdige dood. Hij spreekt in een kinderprogramma over het Berlijnse poppentheater en eindigt met de beschrijving van een paar tableaux vivants. Eén ervan is de ontdekking van Amerika – een republiek, zo vervolgt hij , ‘die ik om een aantal redenen niet werkelijk kan aanbevelen.’

Wat die redenen zijn, laat Benjamin in het midden. Maar in de jaren dertig zal hij keer op keer blijven aarzelen om voor de nazi’s uit te wijken naar de Verenigde Staten waar vrienden en collega’s van de ‘Frankfurter Schule’ als Theodor Adorno en Max Horkheimer hun toevlucht hebben gezocht. Wanneer ook Frankrijk is bezet, blijkt het voor Benjamin te laat. In weerwil van het Amerikaanse visum dat hij op de valreep heeft gekregen, wordt hij aan de Spaanse grens tegengehouden. Die avond pleegt hij zelfmoord in zijn hotelkamer. De volgende dag wordt de grens opnieuw voor vluchtelingen opengesteld.

In hun lijvige biografie Walter Benjamin: A Critical Life hebben de Amerikaanse taal- en literatuurwetenschappers Howard Eiland en Michael W. Jennings het leven van Benjamin tot in de kleinste details nageplozen. Het werd een deprimerend verhaal. Geboren in een goedburgerlijk joods-Berlijns milieu lukt het Benjamin maar niet de carrière op te bouwen waarnaar hij zo verlangt. Zijn proefschrift over het Duitse treurspel wordt afgewezen. Academische deuren blijven gesloten. Zijn boeken krijgt hij nauwelijks gepubliceerd. Steeds langer wordt de lijst van artikelen die geweigerd worden door de tijdschriften waaraan hij ze aanbiedt.

Speelgoed

Was Benjamin té briljant? Te vernieuwend misschien? Vandaag de dag geldt hij als de grondlegger van een hele reeks academische disciplines: van mediastudies tot het soort beeldende geschiedschrijving dat hij voor ogen had in wat zijn meesterstuk moest worden, een alomvattend portret van Parijs als ‘hoofdstad van de 19de eeuw’. Ook dat werk bleef onvoltooid. Pas lang na Benjamins dood werden de brokstukken, aantekeningen en bronnen ervan gepubliceerd. Das Passagen-Werk (geschreven tussen 1927 en 1940, zo’n 1000 bladzijden dik), is inmiddels uitgegroeid tot een filosofische klassieker.

Bijna dag na dag, tekst na tekst, vriend na vriend en onderkomen na voorlopig onderkomen volgen Eiland en Jennings Benjamins op de voet. Hij was geen gemakkelijke man en wereldvreemdheid sprak uit alles wat hij deed, van zijn langzame wandeltred (steeds onderbroken wanneer hij op een cruciaal punt van zijn gedachten was aangeland) tot zijn onvermogen zijn schaarse financiële middelen met enig beleid te beheren.

Verwonderlijk is het dan ook niet,dat hij vanaf de late jaren twintig in steeds diepere depressies vervalt. Zo’n tien jaar later komt daar ook nog eens een hartkwaal bij. De wandeltocht door de Pyreneeën op zijn laatste vlucht kan Benjamin al bijna niet meer volbrengen. Hij moet in zijn hotelkamer in Port-Bou in alle opzichten aan het eind van zijn Latijn geweest zijn.

Toch blijft Walter Benjamin in deze uitputtende biografie een raadsel. Wat bewoog hem in het diepst van zijn ziel? Vanwaar die aarzeling om te vertrekken naar de Verenigde Staten of desnoods Palestina toen het nog kon? Waarom liet hij zich zo weinig gelegen liggen aan zijn zoon, die hij soms jarenlang nauwelijks zag, terwijl hij als filosoof zo geboeid was door de kinderwereld dat hij een kostbare verzameling aanlegde van kinderboeken en -speelgoed?

De meer dan tachtig radiopraatjes voor kinderen die Benjamin tussen 1929 en 1932 hield voor stations in Berlijn en Frankfurt getuigen van die bijzondere aandacht. De teksten ervan waren eerder al verspreid terug te vinden in zijn Verzamelde Werken, maar nu zijn ze (samen met twee hoorspelen voor kinderen en Benjamins artikelen over de radio) in een Engelse vertaling gebundeld.

Enigszins hoekig zijn die voordrachten wel. Benjamin gaat er soms zichtbaar voor op zijn hurken zitten, om een verhaal te vertellen dat kinderen van nu zonder enige twijfel boven het hoofd zou gaan. Hij vertelt over Goethes Faust, Fontanes Wandelingen door Brandenburg, over heksenjachten en (op een naar hedendaagse begrippen weinig correcte manier) over zigeuners, over Amerikaanse dranksmokkelaars en de Bastille.

Een belangrijk deel van de bijna dertig bewaarde radioscripts gaat over het traditionele Berlijn, waarvan Benjamin het typische dialect, eigenaardige gebruiken en vergeten ambachten oproept. Kort daarna zou hij, in ballingschap in Parijs, diezelfde thema’s veel zorgvuldiger en aandachtiger beschrijven. Wat een boek over zijn eigen Berlijnse jeugd had moeten worden bleef, zoals zoveel van zijn projecten, tijdens zijn leven ongepubliceerd. Pas in 1950 zou onder redactie van Adorno het boek Berlijnse jeugd verschijnen dat Benjamin voor ogen had.

Althans, dat heeft men lang gedacht. Pas in 1981 werd in de Bibliothèque nationale de France een ‘definitief’ typoscript teruggevonden waarin Benjamin de volgorde van zijn column-achtige stukken ingrijpend gewijzigd en de tekst hier en daar sterk bekort had. Deze tekst is nu onder de titel Kinderjaren in Berlijn rond 1900 in een Nederlandse vertaling verschenen. Ze is niet alleen beknopter, sneller en evenwichtiger dan de in 1974 verschenen vertaling van de ‘Adorno’-versie, maar ook van goed gekozen illustraties voorzien.

‘Denkbeelden’

Onder Benjamins pen herrijst zo het Berlijn van de belle époque dat hij als kind had gekend. ‘Denkbeelden’ noemt hij die tegelijk flitsachtige en bezonken herinneringsmomenten omdat ze, als in een collage, iets laten zien wat tegelijk het denken moet stimuleren. Beeld, woord en gedachte vloeien samen om op een nieuwe manier het verleden te presenteren en er de betekenis van te doorgronden. Het was ongetwijfeld deze techniek die Benjamin ook voor zijn grote boek over Parijs in gedachten had.

Maar wie de vaak wat nostalgische schetsen uit Kinderjaren in Berlijn leest, wordt onherroepelijk herinnerd aan een andere schrijver die voor Benjamin van groot belang was. In de jaren twintig had hij delen van Prousts A la recherche du temps perdu in het Duits vertaald. Volstrekt anders van omvang en ritme, maar vertrouwd met de bezonkenheid van de zinnen die pas bij een aandachtige lezing hun geheim prijsgeven, lijkt Benjamin een Berlijns antwoord te geven op zijn Franse inspiratiebron.

Ook zijn ontgoocheling klinkt er af en toe in door. Lang, zo schrijft hij bij een herinnering aan de wensen die hij als kind voor zich uit prevelde, liet het besef op zich wachten ‘dat de hoop die ik koesterde op een goede positie en een gegarandeerde boterham, telkens voor niets was geweest.’