Amsterdam wil de groenste zijn 

Amsterdam besefte het 100 jaar geleden al: groen is goed voor mensen. De stad loopt voorop met maatregelen die voor meer natuur zorgen. „Het is allang geen geitenwollensokken hobbyding meer.”

‘Kijk: zélfs op de Wibautstraat is het nu mooi”, wijst stadsecoloog Geert Timmermans (59) tussen de langsrazende auto’s door naar de krokusjes en paardenbloemen in de middenberm van wat algemeen als de lelijkste straat van de stad wordt beschouwd. Maar Amsterdam maakt zijn lelijke plekken in hoog tempo aantrekkelijker. Groener vooral. Bermen als deze worden door de gemeente bewust ingezaaid met verschillende mengsels aan bloemen. Dat trekt bijen, en andere insecten. En daar komen weer vogels op af.

En plekken die al mooi en groen waren, worden waar mogelijk nóg mooier en groener. Met planten, bomen, bloemen. Waterplassen. Bermen. Want meer natuur in de stad maakt ook de mensen gelukkiger, is zijn stellige overtuiging. En die van zijn collega Anneke Blokker (33), die samen met hem in een tour door de stad laat zien waarom Amsterdam zich „echt wel één van de groenste steden van Nederland” mag noemen. „Biodiversiteit, daar gaat het om”, zegt Blokker. In Amsterdam komen 10.000 diersoorten voor, en dat is voor een stad „bijzonder veel”.

Altijd binnen 15 minuten in het groen

Amsterdam als natuurstad – diverse recente colleges op rij hebben daar op ingezet. Blokker: „Maar ook historisch gezien liep Amsterdam eigenlijk altijd al voorop op dit gebied.” Al in 1934 vond het gemeentebestuur dat men ‘altijd binnen 15 minuten in het groen moest kunnen zijn’. Waarom? „De Amsterdammer had daar recht op.” Toen al besefte men dat groen niet alleen mooi was, maar ook gezond; dat het een manier was te ontsnappen aan stank, stof, vuil, lawaai. Langs de grachten werden tienduizenden iepen geplant om de lucht te zuiveren. Timmermans: „Er is geen stad ter wereld met zoveel bomen in het centrum. Toeristen weten niet wat ze zien.”

Destijds werd ook een model van ‘lobben en scheggen’ ontwikkeld: groen dat de stad insteekt. Dat model wordt nog steeds gehanteerd. „En daarom is deze stad ook zo uniek.” Bovendien is de ligging van Amsterdam volgens de ecologen „ideaal”: ten noorden ligt Waterland, ten zuiden Amstelland en het Amsterdamse Bos, in het oosten het IJmeer en in het westen de duinen en de zee. Blokker laat een kaart zien waarop de overgangen van buitengebied naar Amsterdam – zelf spreekt ze van „groene vingers” – duidelijk staan weergegeven. Dan begrijp je ook beter hoe het mogelijk is dat op de Dam in 2008 een haas werd gesignaleerd, en vorig jaar hartje stad (Kloveniersburgwal) zelfs een (dode) vos.

Een stad kán niet zonder groen, zegt Blokker. Ze somt op: groen speelt een belangrijke rol in het welzijn van mensen, heeft een positief effect op het klimaat („Vergelijk Amsterdam maar eens met New York; in een groene stad is het ’s zomers zeker 3 graden koeler”), stimuleert de waterabsorptie (in steeds meer steden een serieus probleem), heeft een positief effect op CO2-reductie, is tegenwoordig een belangrijke vestigingsfactor voor bedrijven, én voor hoger opgeleiden op zoek naar een woning – die laatste twee zijn van groot economisch belang voor de stad. Blokker: „Kortom: groen is onderdeel van een kwalitatieve leefomgeving. Dat mes snijdt aan zó veel kanten. Het is allang geen geitenwollensokken hobbyding meer.”

Sleutelwoorden zijn de Hoofdgroenstructuur (voor een minimale hoeveelheid groen in Amsterdam; „uniek in de wereld”) en de Ecologische Visie, volgend op de landelijk bepaalde Ecologische Hoofdstructuur. De stad doet er vrijwillig nog een schepje bovenop, zou je kunnen zeggen.

Stepping stones

Dat groener en natuurvriendelijker maken van de stad uit zich soms in grote projecten, zoals de aanleg van de Kinseldam in het IJmeer (ter compensatie van IJburg), of een hypermoderne vispassage die het zalm, steur, aal, spiering, stekelbaars mogelijk maakt vanuit zee het zoete water van Amsterdam te bereiken om te paaien of door te trekken.

Vaker nog zit het hem in ogenschijnlijk simpele, goedkope middelen. Zo is in Zuid een vernuftig plan gerealiseerd om de eekhoorn te redden: in de bomen over de drukke Europaboulevard zijn loopbruggen gespannen van touw en doek. Geert Timmermans wijst trots – dit was zijn idee – omhoog: „Het kostte bijna niets, maar blijkt heel effectief. Eekhoorns steken vanuit het Amstelpark de weg over op zoek naar soortgenoten in het Amsterdamse Bos. Ze verplaatsen zich via boomkruinen, maar doordat de bomen hier te ver uit elkaar staan, moesten ze naar beneden. Vrijwel geen eekhoorn overleefde dat.” Tot voor kort. Nu worden regelmatig eekhoorns gespot die hoog boven de langsrazende auto’s heelhuids de overkant bereiken. Het systeem is inmiddels gekopieerd door Roermond en Zeist.

Zo zijn er meer voorbeelden van doorsteekjes voor dieren. Het idee erachter is dat de gemeente hoopt dat dieren de stad niet meer mijden of eromheen vliegen of lopen zodra ze via een ‘groene vinger’ het stedelijk gebied naderen, maar er „dwars doorheen gaan”. Om dat te bereiken moet dus in feite één lang lint van groen door de stad worden gevlochten, met stepping stones tussen de groengebieden, zodat de gevaarlijke gedeeltes (‘knelpunten’) veilig overbrugd kunnen worden. De afgelopen jaren zijn er veel stepping stones bijgekomen. Zo zijn bij veel sloten grote buizen (ecopassages) aangelegd die het voor kleine zoogdieren als marters, hermelijnen en otters en voor de ringslang mogelijk maken onder de weg door van het ene naar het andere gebied te gaan. Er kwamen wildoversteekplaatsen, zoals bij het Geuzenbos, waar grote grazers, vossen en egels veilig een drukke weg kunnen oversteken – „in één keer wordt hier op eenvoudige wijze 60 hectare natuur met elkaar verbonden” – en ijsvogelwandjes, oeverzwaluwwanden en poelen voor de zeldzame rugstreeppad.

Verder stimuleert de gemeente groene daken, ‘verticaal groen’ (muren voorzien van klimop) en ‘natuurinclusief bouwen’ (nieuwbouwhuizen voorzien van nestkasten voor gierzwaluwen, mussen of vleermuizen). Dat laatste werkt „als een tierelier”; zuchtten de inwoners van IJburg in de beginjaren onder enorme aantallen muggen, sinds het plaatsen van de kasten is het evenwicht hersteld – één vleermuis eet 3.000 muggen per nacht.

De inspanningen betalen zich uit, zeggen de stadsecologen. Er worden hier soms zeldzame exemplaren gesignaleerd waar je in andere steden vergeefs naar zult zoeken. De rivierdonderpad: onlangs gespot in de Singelgracht. De slechtvalk broedt inmiddels op vijf plaatsen in de stad, zoals bovenop een hoogspanningsmast op IJburg en op het dak van ABN Amro. Timmermans: „Die Zuidas is een soort rotspartij voor hem. Hoge gebouwen, steen; hij voelt zich hier prima thuis.” Bij Diemen werd een boommarter gespot. En in de Amstel zwom vorig jaar zelfs een zeehond rond. Tot in het centrum groeien beschermde planten als de zeer zeldzame groensteelvaren en schubvaren.

Op de site maps.amsterdam.nl houdt Amsterdam, als enige gemeente in Nederland, minutieus bij waar welk beschermd muurplantje groeit, maar ook hoeveel honingbijen zich waar in de stad bevinden, waar gierzwaluwen broeden; idem voor vleermuizen en huismussen. Timmermans: „Ecologen van andere steden zijn stikjaloers op wat wij hier doen. Zij willen ook wel zo’n site. Maar dan moet een stad wel bereid zijn daar ook echt geld en tijd voor vrij te maken. Bij ons werken negen ecologen. Dat is zeer riant ten opzichte van andere steden, die er vaak maar één of twee hebben. Maar het is ook nodig om te bereiken wat hier in Amsterdam is gelukt.”