‘Ik sterf graag in de modder, na een laatste slok cognac’

200 jaar na Napoleons nederlaag spelen ruim 5.000 acteurs vrijdag en zaterdag de grote ‘Slag’ na. ‘Musket in de aanslag? Check. Kruit aangestampt? Check. Natúúrlijk ben ik nerveus.’

Ron Van Dyck, uit het Belgische Oostmalle, speelt in Waterloo de rol van Jan Egbertus van Gorkum, een Nederlandse majoor die in 1815 onder bevel van de Prins van Oranje meevocht.
Ron Van Dyck, uit het Belgische Oostmalle, speelt in Waterloo de rol van Jan Egbertus van Gorkum, een Nederlandse majoor die in 1815 onder bevel van de Prins van Oranje meevocht. Foto’s Katrijn Van Giel

‘Ah, kijk! Napoleon is gearriveerd”, lachen twee dames als Ron Van Dyck in vol ornaat marcheert door het Kempense dorp Oostmalle.

„Godverdoeme. Napóleon?” Even bijt de Vlaming op zijn lip, om zijn woede te onderdrukken, maar steekt dan een dun sigaartje op. „Ik speel juist een Nederlandse militair die meevocht tégen de Franse keizer.”

Het zweet gutst uit zijn lijf terwijl hij in de blakende zon zijn kostuum voor een laatste maal controleert. Steek op de kop. Sabel in de hand. Oranje sjerp om. Het blauwe jasje, gemaakt van Lakense wol, knelt een beetje, maar dat rekt de komende dagen nog wel uit.

„Ga je zo verkleed in je ééntje over straat, dan wordt er gelachen. Maar wacht maar tot we straks met duizenden tegelijk tijdens Waterloo 2015 op het veld staan. Wij zijn geen clowns hé!”

Van Dyck (44) is één van de ruim 5.000 acteurs die hun tenten hebben opgezet in Waterloo. Vrijdag en zaterdag reconstrueren ze er – met 300 paarden en 100 stukken artilleriegeschut – de campagne tegen de Franse keizer Napoleon die op 18 juni 1815 bij Waterloo definitief werd verslagen.

Re-enactors worden ze genoemd: amateurs die historische veldslagen naspelen. Het is een hecht, internationaal netwerk van gepassioneerden die elkaar tegenkomen in Leipzig, Hoogstraten of Borodino – plaatsen waar werd gestreden tegen Napoleons leger. Maar deze jubileumeditie van ‘Waterloo’ is voor ons allemaal het hoogtepunt, zegt Van Dyck. „Zeker voor mij.” In 2011 kreeg hij te horen dat hij ongeneeslijk ziek is. „Beenmergkanker. Sinds die diagnose tel ik de dagen tot Waterloo 2015. Het is mijn levensader.”

Laffe leeglopers

Als militair vocht Van Dyck in 1993 onder VN-vlag in Somalië, een periode waar hij niet graag aan terugdenkt. Tussen duim en wijsvinger geeft hij de dikte aan van de kogels waarmee hij daar moest schieten op mensen. „Er is niets romantisch aan sterven op het slagveld, toen niet en nu niet. Oorlog fascineert me alleen vanwege de kameraadschap. Samen in de vrieskou op een voormalige veldslag ergens in Europa staan, en je dan opwarmen rond een kampvuur met een borrel. Geweldig!”

Hij speelt de rol van Jan Egbertus van Gorkum, destijds een Nederlandse majoor die onder het bevel van de Prins van Oranje meevocht. Belgen en Nederlanders waren op dat moment landgenoten in het maanden ervoor opgerichte Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.

„Echte helden, die Nederlanders”, zegt Van Dyck, ook al willen de Britten daar volgens hem niks van weten. In hun versie was de Britse Hertog van Wellington de enige echte overwinnaar en waren de prins en zijn soldaten ‘een stelletje leeglopers’. Dat Wellington én Napoleon na de Slag de prins prezen voor zijn moed wordt tot op heden door Britse historici genegeerd.

Van Dyck: „De Britse collega-acteurs, veruit in de meerderheid, duwen ons nog altijd in de rol van lafaards.” De Britten willen ook dat Nederlandse en Belgische acteurs tijdens het bivak in Waterloo elke ochtend de Union Jack groeten. „Ik vertík het”, zegt Van Dyck. „Ik groet maar één vlag: de Hollandse.”

Soldaten moeten stinken

Op zijn 15de schilderde hij speelgoedsoldaatjes, verslond Napoleon-lectuur, stortte zich op paardrijden en ontdekte de wereld van de re-enactors. „Jarenlang speelde ik jan soldaat, maar nu ben ik de prins. Een enorme eer.”

Eric Edelman (29), medicus uit Maastricht, vertolkt tijdens Waterloo 2015 de rol van Slender Billy, de bijnaam van de tengere prins van Oranje. „Je kunt wel blíjven lezen over die veldslagen, maar het liefst maak je het zelf mee. Ik wil zo dichtbij mogelijk komen.”

Daags voor de grote show bereidt Edelman zich thuis nauwkeurig voor. Cruciaal, volgens hem, is de vuursteenslotmusket. „Per schot doe je alles nog zelf. Musket in de aanslag? Check. Kruit aangestampt? Check. Vonkt het vuursteentje? Check. Een mooi wapen. In India en Pakistan worden ze nog gereproduceerd.”

Natúúrlijk ben ik nerveus, geeft hij toe. „Menselijke ongelukken vrees ik niet, want we schieten met zwart kruit zonder kogels. Ik maak me wel zorgen om de paarden. Ik train die van mij op harde knallen, maar straks op dat hectische slagveld weet je maar nooit hoe ze zal reageren.”

Re-enactment is volgens Edelman een tijdrovende en dure hobby. „Je moet je eigen paard meenemen en je eigen uniform en musket financieren. Wie meedoet is een fanaat.”

In het Vlaamse Oostmalle rekent Ron Van Dyck voor wat het hem kost. „Sabel: 175. Laarzen: 300. Officiersband: 75. In totaal kom ik, zónder paard, uit op ruim 1000 euro.”

Sinds zijn ziekte moet hij rondkomen van 900 euro uitkering per maand, maar dat weerhield hem er niet van om extra geld uit te geven aan een belangrijk detail: de glimmende manchetknopen met de kop van Napoleon erin gesmeed. „Misschien een beetje dubieus”, zegt Van Dyck. „Wij waren zijn vijand. Maar ik heb ook veel respect voor Napoleon. Hij is toch de man die streefde naar een ééngemaakt Europa.”

Van Dyck is komende dagen verantwoordelijk voor het bivak dat vanwege het bezoek van de Britse prins Charles aan het terrein zeer eenvoudig zal zijn. „Charles wil het zo authentiek mogelijk. Géén douchecabines op het slagveld. Soldaten moeten stinken.”

Niet iedereen is blij met Charles’ dictaat, maar Van Dyck maakt het niet veel uit. „Ik wil dat mijn uniform na de veldslag zwart ziet van de modder.”

Slechts weinig acteurs melden zich aan om dood van hun paard te vallen – ze vrezen een nat pak voor de rest van de dag. „Maar ik sterf graag”, zegt Van Dyck. „Het liefst in de buurt van een gevallen Fransman. Die heeft nog wel eens wat cognac in z’n kruik. Dan drinken we samen nog een slok.”

Wordt het zijn laatste Waterloo? „Misschien. Ik heb nog een paar jaar te leven. Hoog tijd dat ik een ander punt aan de horizon bedenk.”