Het gaat sneller dan we denken

Het Rathenau Instituut presenteerde een rapport over de robotsamenleving. Conclusie? Politici, vakbonden en werkgevers moeten nadenken over de gevolgen van technologische vooruitgang.

Foto Hollandse Hoogte

Technologie is niet iets wat mensen overkomt. Gadgets, robots en software worden door onszelf gemaakt, en we beslissen nog altijd zelf hoe we ze gebruiken. Al voelt dat soms misschien anders. Dat mensen niet aan de zijlijn staan bij technologische ontwikkelingen en politici dus keuzes moeten maken – wat voor robotmaatschappij willen we? – is de belangrijkste boodschap van het rapport Werken aan de robotsamenleving. De Haagse denktank Rathenau Instituut presenteerde het gisteren op verzoek van de Tweede Kamer en op initiatief van D66-Kamerlid Steven van Weyenberg.

De onderzoekers willen daarmee de discussie aanzwengelen over robots en kunstmatige intelligentie. Die ontwikkelen zich zo snel dat ze steeds meer werkzaamheden kunnen uitvoeren. Werk dat mensen tot nu toe zelf deden. Zelfscankassa’s vervangen caissières, door automatische spraakherkenning op telefoons zijn er minder telefonistes nodig, de algoritmes van Uber komen in plaats van taxicentralemedewerkers.

Wat zijn de gevolgen van verregaande robotisering? „Niet iedereen is het erover eens dat deze golf van automatisering echt anders is dan alle voorgaande automatiseringsgolven”, zegt Rathenau-onderzoeker Linda Kool. Dat technologie oude banen overbodig maakt en tegelijkertijd nieuwe banen creëert, is niets nieuws. „Maar een groeiend aantal wetenschappers denkt dat het deze keer echt anders is, dat het sneller gaat.” Ook het Rathenau Instituut kan de toekomst niet voorspellen, maar komt al wel met aanbevelingen voor het geval dat.

Oppassen voor ongelijkheid

Waarschuwingen over groeiende ongelijkheid zijn in de mode, denk alleen maar aan de discussie die de Franse econoom Thomas Piketty veroorzaakte met zijn boek Kapitaal in de 21ste eeuw. Ook in het debat over robotisering speelt grotere ongelijkheid een belangrijke rol. Dat komt vooral door de bijdrage van de Amerikaanse hoogleraren Erik Brynjolfsson en Andrew McAfee. In hun boek The Second Machine Age uit 2014 waarschuwen ze ervoor dat er een grotere tweedeling komt tussen mensen die werk doen dat niet door robots gedaan kan worden, en werknemers die wel makkelijk te automatiseren zijn.

De Rathenau-onderzoekers delen die zorg en waarschuwen politici voor de gevolgen. „Baanpolarisatie is wel iets waar de wetenschap het over eens is”, zegt Kool. Met baanpolarisatie wordt bedoeld: door automatisering blijven er banen over voor de hoog- en laagopgeleiden, maar verdwijnen juist banen op mbo-niveau. „Die middengroep komt niet per se zonder werk, maar die mensen moeten doorstromen naar sectoren waar wel werk is.”

Brynjolfsson en McAfee betogen dat een negatieve inkomstenbelasting een oplossing kan zijn: als mensen onder een bepaalde inkomensgrens komen, krijgen ze vanzelf een aanvulling van de overheid. In Nederland zijn er een paar kleinschalige lokale experimenten met een variant daarop: een basisinkomen, een overheidsuitkering zonder voorwaarden. „We weten nu nog helemaal niet of zoiets als een basisinkomen doet wat het beoogt te doen”, zegt Kool. „Maar het is wel belangrijk dat er met zulke oplossingen wordt geëxperimenteerd, om te zien wat zou kunnen werken.”

Doe meer aan onderwijs

Een belangrijke manier om mensen voor te bereiden op een technologische toekomst is scholing. „Mensen moeten leren meegaan met nieuwe technologie. Dat gaat van leren hoe 3D-printen gaat, tot dingen waar juist mensen heel goed in zijn vergeleken met computers: creativiteit, communicatie, leren hóe je leert. Daarvoor zou meer aandacht moeten komen,” zegt Kool. „Doorhebben dat je ergens niet meer effectief in bent, en dan stappen nemen om te veranderen.”

Ook de Amerikaanse hoogleraren Brynjolfsson en McAfee benadrukken dat mensen zich moeten concentreren op vaardigheden waar computers slecht in zijn, om de concurrentie aan te kunnen gaan. Zij noemen creativiteit, persoonlijke zorg en werkzaamheden waarbij fijne motoriek belangrijk is. Dat kunnen computers voorlopig nog niet, denken ze.

In het Rathenau-rapport maken de onderzoekers onderscheid tussen generieke en specifieke vaardigheden. Generieke vaardigheden zijn bijvoorbeeld leren communiceren, leren omgaan met nieuwe informatie, creatief zijn. Specifieke vaardigheden zijn meer toegepast op één activiteit. „Het ligt voor de hand dat het basisonderwijs en het voortgezette onderwijs zich meer richten op die generieke vaardigheden: daar moet je leren leren”, zegt Kool. Werkgevers kunnen dan verantwoordelijkheid nemen voor specifieke vaardigheden: ze krijgen een monteur binnen die zich daar kan specialiseren in treinen, drones of 3D-printers.

„Waar we vanaf moeten is technologie-determinisme”, zegt Kool. „Dat is de houding van: de technologie die komt er aan, en help! We kunnen er niks meer aan doen. Technologie biedt veel ruimte om te handelen. Dan kun je dus ook nog heel veel sturen.” Daarom pleit het Rathenau Instituut voor een discussie over robotisering waar zoveel mogelijk mensen aan meedoen.

Directeur Melanie Peters: „We moeten ook nadenken over wat onze beschaving is. We hebben technologie een tijdje laten groeien en nu zien we dat we er weer even over moeten gaan nadenken. Er wordt al gesproken over een Magna Carta [een van de allereerste grondwetten, red.] voor technologie. Wat gaan we met elkaar afspreken: wat mag wel en wat mag niet. Het gaat niet om de robots, het gaat om ons.”

De discussie moet verbreed worden, staat in het rapport. Nu beperkt de discussie zich vaak tot de vraag: pikken robots onze banen in? „De ene commentator zegt ja, en de ander nee. Maar het gaat over veel meer dan alleen die ene vraag.”

Meer politieke actie

Dat is ook een oproep aan politici. „We merken vaak dat politici zich niet bij machte voelen om uitspraken te doen over technologische ontwikkelingen,” zegt Peters. Dat was volgens haar het geval bij de discussie over het elektronisch patiëntendossier EPD. „Dat werd heel erg als technologie gepresenteerd, en dan denken politici snel: dan weet ik er misschien te weinig van. Ze denken niet: ‘het gaat over de rol van artsen, en hun omgang met de patiënt. En daar kunnen we allemaal wel wat van vinden.’ Dan verblindt de technologie, ook al gaat het over sociale relaties.”

Er zijn de laatste tijd wel discussies waarin technologie en robotisering een rol spelen: denk aan de juridische strijd van de overheid met taxidienst Uber, het debat over zelfstandigen zonder personeel (ZZP’ers) en de flexibilisering van de arbeidsmarkt. „Maar dan gaat het vaak over de rechten van postbodes,’ zegt Peters. „Deelonderwerpen. Maar het hoort thuis in een veel bredere trend. Al die verschillende stukjes moeten bij elkaar worden gebracht. Het is voor politici belangrijk om te beseffen dat het allemaal met elkaar samenhangt.”

Uber kon een machtige speler worden door internet, en zonder eigen taxi’s. Door technologie kan een bedrijf veranderen in een platform – met losse medewerkers. En moet je je er dan als overheid mee bemoeien hoeveel uur zulke medewerkers achter elkaar mogen werken? Of juist niet? Het Rathenau-instuut vindt dat politici (en vakbonden, werkgevers) daarover moeten nadenken.

In het rapport vragen de onderzoekers ook meer aandacht voor wat zij de inclusive society noemen: een samenleving waarin technologie zó wordt ontworpen dat zoveel mogelijk mensen die kunnen gebruiken. „Denk alleen al aan pinautomaten waar mensen geen moeite mee hebben, een ov-chipkaart die zo simpel mogelijk werkt.” Dat wordt alleen maar belangrijker als er nog meer technologie ons leven binnenkomt, waarschuwen de onderzoekers. „Politici kunnen daarin een rol spelen.” Door al die aandachtspunten zou je bijna denken dat robotisering vooral een probleem is. Maar uit het rapport blijkt ook: wetenschappers zijn het erover eens dat de productiviteit van bedrijven enorm verhoogd kan worden door technologie en dat belangrijke goederen er minder schaars door worden – en waarschijnlijk ook goedkoper. En robots kunnen vaak sámen met mensen werken, en mensen veel vervelend werk uit handen nemen. Robots hoeven mensen niet te vervangen, ze kunnen veel toevoegen. Denk aan een monteur die met Google Glass beter zijn werk kan doen, of een arts die met behulp van computers betere diagnoses stelt. En dat is de crux van dit rapport, zegt Peters: „Er is ontzettend veel te winnen met robotisering, als we er maar goed over nadenken.”