De schoonheid van een abstract wiegendekentje

Museum De Pont toont de lichtprojecties van de Amerikaanse kunstenaar James Turrell naast quilts van de Amish. De abstracte lichtkunst blijkt wonderwel goed te combineren met de huiselijke nijverheid.

James Turrell, Afrum Pink II (solid), 1970. Fluorescerend licht.
James Turrell, Afrum Pink II (solid), 1970. Fluorescerend licht. Foto Häusler Contemporary München / Zürich

Als een zware gongslag – zo zijn de Amish quilts, gemaakt tussen ongeveer 1870 en 1930. Deze quilts lijken in niets op de bekende Amerikaanse patchworkdekens met hun uitbundige ontwerpen in kleurrijke, bedrukte stukjes stof. De quilts van de Amish, een radicale protestantse sekte die in de achttiende en vroege negentiende eeuw vanuit Zwitserland en de Elzas naar Amerika emigreerde, zijn donker en somber van toon – maar wat een schoonheid en grandeur.

De gecentreerde patronen zijn eenvoudig en geometrisch, in drie, hooguit vier kleuren. Ze hebben een grote ruit – diamond – in het midden, of een raster van brede verticale banen – bars – gekaderd in een vierkant, of een aantal vierkanten in elkaar en een enkele keer een vijfpuntige ster. De kleurvlakken zijn monochroom, in aardse tonen groen, blauw, rood, paars, bruin en beige. Vooral ‘Turks rood’ was favoriet, een diep rood tussen karmijn en bordeauxrood in. Groot zijn deze dekens niet, meestal ongeveer 1,80 × 1,80 meter.

Een dertigtal van deze quilts, bruiklenen uit een Duitse particuliere verzameling en van oorsprong afkomstig uit Lancaster County in Pennsylvania, is te zien in museum De Pont. Ze zijn gecombineerd met een presentatie van werk van de Amerikaanse kunstenaar James Turrell: vier monochrome lichtprojecties en een reeks drukken. De gedachte achter deze tentoonstelling is dat er belangrijke overeenkomsten of parallellen zouden zijn tussen de quilts en het werk van Turrell.

Ban op afbeeldingen

De Amish stammen af van de zestiende-eeuwse Anabaptisten, die zich keerden tegen wat zij zagen als wanpraktijken van de verwereldlijkte Katholieke Kerk. Ze ontlenen hun naam aan de toenmalige Zwitserse leider Jakob Ammann, die een eenvoudige, gemeenschappelijke en pacifistische levenswijze predikte.

Tegenwoordig zijn er ongeveer 270.000 Amish in Amerika, verspreid in agrarische gemeenschappen over twintig staten van de Verenigde Staten, de meeste in Pennsylvania. Ze leven afgescheiden van onze maatschappij, zoveel mogelijk in overeenstemming met hun oorspronkelijke zeventiende-eeuwse waarden en gebruiken. Ze wijzen het gebruik van elektriciteit en van moderne communicatiemiddelen af, bewerken het land met ploegen getrokken door paarden en spreken een eigen Hoogduits dialect, het Pennsilfaani-Deitsch.

De Amish onderwerpen zich aan het principe van Artning of Ordnung. Ordnung is een mondelinge traditie van religieuze regels die het leven bepalen. De hoofddeugden zijn nederigheid en gehoorzaamheid, eenvoud en een praktisch bestaan. Ordnung heeft betrekking op alles, van de lengte van baarden en rokken tot de ban op afbeeldingen en iedere vorm van ornament.

De quilts zijn de uitdrukking van deze grote afkeer van hoogmoed en van uiterlijk vertoon. De dekens hebben in hun strengheid een bijna liturgisch karakter. Ernaar kijkend weet je: dit gaat over geboorte, leven en dood. Ieder bed, ook de wieg, was bedekt met een quilt, die werd doorgegeven van generatie op generatie. De wiegenquilt uit 1910 is aangrijpend, met zijn rechthoekige kaders van donkerbruin, beige en donkerblauw.

De vroegste Amishquilts stammen pas uit 1850, vermoedelijk geïnspireerd op de monochrome quilttraditie van Amerikaanse immigranten uit Wales. Twee lagen dunne wollen stof, dezelfde stof waar de Amish vrouwen jurken en overhemden van maken, worden met de hand aan elkaar gestikt. Daartussen zit een derde laag, van dunne schapenwol. Verrassend genoeg laten de gestikte patronen wel herkenbare motieven zien, al vallen ze nauwelijks op in de donkere stof. Naast abstracte ruit- of wafelpatronen zijn er sierlijke bladranken, rozen, rozetten, druiventrossen en zelfs hele fruitmanden. Er wordt door kunsthistorici veel gespeculeerd over de mogelijke betekenis van de patronen. Zo zouden de bars verwijzen naar de geploegde voren van het land, de rechthoeken naar de contouren van de velden, de ruitvorm naar de ‘Halstuch’ die de vrouwen dragen. Maar de Amish zelf zeggen er niets over.

Licht is materie

James Turrell (1943) is beroemd geworden als de kunstenaar die licht vormgeeft, hij maakt het licht zichtbaar als materie. Het installeren van de neonbuizen en projectielampen voor deze werken, waarbij de juiste lichtintensiteit moet worden bereikt, is extreem precisiewerk. Afrum II Pink (1970) is een fluorescerend hardroze vlak, dat optisch de vorm van een kubus heeft. Wie dichterbij komt ziet dat het geen vlak is, maar een uitsnede in twee wanden die in een hoek op elkaar staan. Wanneer je het hoofd door dit gat steekt tast je met de ogen in een poederig, roze niets. Zo van dichtbij lijkt het licht een stoffelijke gedaante aan te hebben genomen; van ongeveer drie meter afstand is het effect vooral optisch en virtueel.

Sloan Red (1968) is een knalrode, lichtende rechthoek geprojecteerd op de muur. De rechthoek breidt zich van de muur een stukje uit over de vloer, waardoor de projectie ruimtelijk wordt. Heel mooi is de grafiekreeks Still Light (1990-91), gedaan in aquatint, waar geometrische, optisch ruimtelijke lichtvormen op het papier zijn uitgespaard in een vlak van verfijnde grijstonen.

Het werk van Turrell, zelf een Quaker, heeft duidelijk spirituele connotaties. De eredienst van de Quakers bestaat voornamelijk uit stilte en contemplatie, waarbij zij zich concentreren op een innerlijke openbaring, door hen ‘inner light’ genoemd. Dit innerlijk licht wordt door hen beschouwd als de bron van alle kennis.

De Amishquilts zijn in de jaren en zestig en zeventig ontdekt door kunstenaars die tot minimal art en de post-painterly abstraction gerekend worden. Het verband is duidelijk. Denk aan de gedempte kleurblokken van Brice Marden, de strepen van Kenneth Noland, de concentrische kaders van Frank Stella, de matzwarte monochrome vierkante doeken van Ad Reinhardt, de lichtende vierkante kleurvelden van Joseph Albers, en dus ook de lichtprojecties van Turrell.

De plotselinge internationale waardering voor wat tot op dat moment een bescheiden, huiselijke nijverheidstraditie was, is dus alleszins begrijpelijk. Toch heeft de vermeende verwantschap tussen de Amishquilts en het werk van genoemde kunstenaars, inclusief dat van Turrell, ook iets willekeurigs. Het feit dat de quilts gebruiksvoorwerpen zijn, geen kunstwerken, is voor de totstandkoming en de beleving ervan essentieel. Het werk van genoemde schilders komt voort uit een kunsthistorisch besef dat hen bracht tot een verregaande reductie van schilderkunstige middelen, een overweging die met de Ordnung van de Amish niets te maken heeft. En het grootste verschil tussen de lichtprojecties van Turrell en de wollen dekens is wel dat Turrell licht tevoorschijn tovert, terwijl de donkere quilts het licht absorberen.