De conducteur en de zwartrijder

Er zat een zwartrijder in de coupé. Het was lang geleden dat ik een persoon zonder geldig vervoers- en legitimatiebewijs had gezien. Het was een man van middelbare leeftijd met een bril op het hoofd en een laptop op schoot waar hij, toen we nog niet wisten dat hij een zwartrijder was, verwoed op had zitten typen. Kleine, woedende uithalen van de vingers op het toetsenbord. Zou het misschien een schrijver zijn?, dacht ik. Of erger nog: een journalist. Zo eentje die ergens naartoe geweest was en binnen een uur een verhaal af moest hebben.

Je had conducteurs die zich geruisloos voortbewogen en van wie je soms schrok als ze ineens voor je stonden, maar je had er ook die hun komst met luide stem, of erger nog een grap, aankondigden. Onze conducteur was van het laatste slag.

„Con-trol-le!”, riep hij terwijl hij zichzelf door de schuifdeuren wurmde, zodat we allemaal wisten dat er met hem niet te spotten viel. Het bleek een magere, wat bleke jongen, waardoor je onbewust ging denken dat hij zo hard schreeuwde om een en ander te compenseren, maar het kon natuurlijk ook zijn dat het er zo een was die gewoon een nare ervaring had gehad.

De man met de laptop was zichzelf naarmate de conducteur dichterbij kwam steeds nadrukkelijker aan het bekloppen. Binnensmonds vloekend, maar de OV-chipkaart die hij zocht was en bleef kwijt. We, de rest, keken allemaal naar hem want dat er een confrontatie aan zat te komen was duidelijk.

De man klapte zijn laptop woedend dicht toen de conducteur vlak voor hem ‘vervoersbewijs’ riep. Er ontstond een gesprek tussen twee mensen die wel wilden maar niet konden communiceren en die waarschijnlijk alle twee in het verkeerde beroep terecht waren gekomen. De een had geen vervoersbewijs en geen ID en in eerste instantie geen geld en de ander besloot dat hij daarom bij het station met de prachtige naam Veenendaal-De Klomp de trein moest verlaten.

De zwartrijder met wie we eerst nog heimelijk sympathiseerden verloor als eerste het geduld en gebruikte het woord ‘dienstklopper’ waarmee hij zijn lot bezegelde.

Toen hij, terwijl hij door het gangpad van de remmende trein richting uitgang werd gedreven een laatste keer in zijn zakken voelde, vond hij tot zijn grote vreugde een verfrommeld biljet van vijftig euro dat hij met zijn rechterhand omhoog hield.

„Meneer!”, riep hij, „wat krijgt u van me?”

„De zenuwen”, antwoordde de conducteur. Ik was ervan overtuigd dat hij de waarheid sprak.