Als je liefje een stoel wordt

geeft een cursus voor de lezers van nrc.next over het lezen van gedichten. Want heus, poëzie is mooi, niet moeilijk. Vandaag: metaforen en andere vergelijkingen.

Illustratie Jenna Arts
Illustratie Jenna Arts Illustratie Jenna Arts

Groen en zoet en rokerig, zoals een bloemisterij die een beetje afbrandt. Zo beschreef ik de geur van Hongarije aan een vriend die benieuwd was hoe het daar nou rook (lang verhaal). Vergelijken blijft vaak de beste manier om iets uit te leggen. Neem nou het Bijbelboek Hooglied, waarin een paar borsten worden vergeleken met een stel druiventrossen. Je hebt er meteen een beeld bij.

Vergelijkingen verrijken de dagelijkse taal en tonen nieuwe stukjes van de wereld. Zo vergelijkt Jori Stam in zijn knappe debuut Een volstrekt nutteloos mens het installeren van een firewall met het aantrekken van een digitale bivakmuts. Inderdaad, de anonimiteit die zo’n programma verleent, kan ook voor duistere praktijken worden gebruikt. En kijken we naar de film Bloed, zweet en tranen, dan leren we dat vergelijken soms ook een beetje mis kan gaan. André zegt tegen Rachel: „Jij bent de stoel waarop ik zit”, en zij reageert met „Jaja, bewaar dat soort uitspraken maar voor je liedjes”.

Songteksten en gedichten zijn inderdaad handiger plekken om je geliefde met meubilair te vergelijken. In bijna ieder gedicht tref je wel één of meerdere als-vergelijkingen aan, en anders wel een stuk of wat metaforen. Maar goed, een metafoor is natuurlijk ook een vergelijking, maar dan zonder het woordje ‘als’, bijvoorbeeld: ‘je haar is een kudde geiten’ (ook uit het Hooglied). Zoals E621 het hoofdbestanddeel is van voedsel, is de vergelijking dat van de poëzie, en levert ze nieuwe inzichten, lachsalvo’s en zelfs troost op. Dat laatste had ik met een gedicht van de Noor Rolf Jacobsen (1907-1994), vlak voor mijn oma stierf.

Mijn grootmoeder had een behoorlijk spectaculaire persoonlijkheid. Ze was een soort mix tussen Joan Collins en Maarten van Rossem. Maar in de weken die aan haar dood voorafgingen, veranderde ze. Er kwam een kalmte over haar heen die de familie deed realiseren dat ze binnenkort uit nabestaanden zou bestaan. Deze kalmte verontrustte me, tot ik Jacobsens gedicht Ouderdom las, waarin ik een zeer sterke vergelijking ontdekte die me vrede deed hebben met de situatie.

Aangenaam gezelschap

In dit gedicht is de bejaarde niet langer het hulpvretende type dat wij er in onze samenleving zo graag van maken, nee: bejaarden ‘hebben genoeg aan zichzelf’. Het zijn mensen die vanwege hun ouderdom niet vervelend zijn maar juist aangenaam gezelschap. Zo schrijft Jacobsen: ‘ik houd veel van vissers langs grote rivieren / en bejaarden en zij die na een lang ziekbed /weer naar buiten gaan’. De bejaarde is niet langer een mens wiens lichaam en geest langzaamaan afbrokkelen. Hij is juist herstellende.

Bejaarden zien inderdaad nogal pips en staan vaak even wankel op hun benen als een kind dat herstelt van roodvonk. Door deze vergelijking wordt het leven dat aan de ouderdom voorafgaat, een ‘lang ziekbed’, en kan je de dood zien als een genezing. Ouder worden is langzaam maar zeker weer jezelf worden en oplossen als een nevel. Hoe licht en luchtig benoemt Jacobsen hier het stervensproces! Wat een verrassende manier om naar de zaken te kijken, en het is daardoor een van de meest geslaagde vergelijkingen die ik ken.

Het troostte mij in ieder geval toen mijn eigen grootmoeder langzaam maar zeker zichzelf weer werd. Het deed me realiseren dat een van de sterkste punten van de poëzie, haar vrijplaats voor de vergelijking is. Zo kon ik het aan dat mijn oma op steeds steviger benen van me wegwandelde, en uiteindelijk helemaal beter werd.