Turkse kameleon beheerste kunst van het overleven

Süleyman Demirel (1924-2015)

Oud-premier en -president

Gisteren is vandaag niet, zei hij zelf pragmatisch. Critici wijzen op de machtscultuur.

Süleyman Demirel, die vanochtend overleed in een ziekenhuis in Ankara, was de belichaming van de Turkse politiek in de tweede helft van de vorige eeuw. Hij was maar liefst zeven keer premier en één keer president in een tijd dat Turkije kampte met sociale onrust, een economische crisis en aanhoudende militaire coups. Hij is 90 jaar geworden.

De Turkse president Erdogan noemde Demirel in een reactie een van de belangrijkste staatslieden in de Turkse politieke geschiedenis, die een belangrijke bijdrage leverde aan de economische en maatschappelijke transformatie van Turkije. Onder zijn bewind veranderde het agrarische land in een industriële en verstedelijkte samenleving, met een hogere levensstandaard voor veel Turken.

Maar volgens critici stond Demirel symbool voor een corrupte politieke cultuur waarin macht belangrijker was dan principes. Hij beheerste de kunst van het politieke overleven als geen ander. Twee keer werd hij als premier afgezet door het leger, maar elke keer kwam hij terug aan de macht.

Hij was een kameleon, die naar gelang de omstandigheden schaamteloos van politieke kleur verschoot. Het ene moment maakte hij gemene zaak met de sociaal-democraten, het volgende moment ging hij in zee met ultrarechtse nationalisten. „Gisteren was gisteren, vandaag is vandaag”, was zijn beroemdste uitspraak.

Demirel werd in 1924 werd geboren in de zuidwestelijke dorp Islamköy, waar hij vanmiddag ook zal worden begraven. Na een opleiding tot ingenieur maakte hij snel carrière bij de overheidsdienst die zich bezighield met het bouwen van dammen. Op zijn 31ste was hij er directeur. Daarna vertrok hij naar de VS, waar hij aan de slag ging bij het bedrijf Morrison Knudsen, dat gereedschap voor machines bouwde.

Na de militaire coup van 1960 besloot Demirel de politiek in te gaan. Het leger had premier Adnan Menderes en twee kabinetsleden geëxecuteerd. Veel belangrijke mensen uit hun partij mochten niet langer politiek actief zijn. Zo ontstond er een machtsvacuüm op rechts, waar Demirel als politiek groentje in stapte.

Op zijn 40ste werd hij verrassend verkozen als leider van de nieuwe partij AP, de centrum-rechtse opvolger van Menderes’ partij. De legertop wilde de macht weer overdragen aan een burgerregering, maar wel eentje die ze konden controleren. Demirel won de verkiezingen van 1965 met overmacht, waarna hij de jongste premier werd die Turkije ooit had gehad.

Demirel combineerde een populistische stijl aan een encyclopedische kennis over Turkije. Dankzij slim gebruik van islamitische symbolen was hij populair op het conservatieve platteland, waar de meeste Turken woonden. Demirel moest een evenwicht vinden tussen de eisen van zijn rurale achterban en de noodzaak Turkije het industriële tijdperk binnen te slepen.

Dit ging Demirel in zijn eerste jaren als premier niet slecht af. De economie groeide met 6 procent per jaar, waardoor de regering in staat was elektriciteit en wegen aan te leggen de verste uithoeken van het land. Daarna kwam de klad erin. Hij werkte nauw samen met het leger, dat door toenemende sociale onrust, politiek geweld en een economische crisis in 1971 de macht overnam.