Mama, kom je morgen?

Toen Fehriwot Hailemeskel vluchtte uit Ethiopië liet ze haar dochter achter.

Of ze het kind ooit weerziet, weet ze niet. Terug naar Afrika kan ze niet en ze kan ook niet hier blijven.

Fehriwot Hailemeskel met het geboortecertificaat van haar dochter.
Fehriwot Hailemeskel met het geboortecertificaat van haar dochter. Foto Roger Cremers

Vanochtend is Fehriwot Hailemeskel weer in het ziekenhuis geweest. Zij heeft pijn in haar borst. In augustus heeft ze een openhartoperatie ondergaan en nu trekt het bij het litteken, maar dan van binnen. De arts laat een CT-scan maken.

Dit is de tweede keer dat Fehriwot in deze krant staat. In december liet ze zich interviewen over haar leven en haar vlucht. Die ging van Ethiopië, waar ze in een Eritrese stam geboren is, naar Eritrea, naar Soedan, naar Europa, naar Nederland, naar Alkmaar, naar Amsterdam, naar de Vluchtgarage en daarna naar een reeks locaties. Tussen daklozen, tussen verslaafden, tussen toeristen in het West Side Inn Hotel. En nu woont ze tussen de ouden van dagen in het Henriëtte Ronald Holsthuis in Amsterdam-Zuidoost. Voor hoe lang is onduidelijk. Zij is daar geplaatst door de GGD en ze krijgt 35 euro leefgeld per week, voor eten, vervoer etc.

In december zei ze dit, fluisterend: „Ik kreeg een meisje, Arsema. Ze is nu drie. Ik had een reepje papier met het telefoonnummer van het gezin, maar dat ben ik kwijtgeraakt. Het is nu een jaar geleden dat ik voor het laatst van mijn kind heb gehoord. Iedere dag kan ik niet slapen als ik eraan denk dat ik haar heb achtergelaten.”

Haar stem is veel krachtiger dan toen. De taallessen die de protestantse kerk geeft, hebben resultaat. Ze zit niet meer op de rand van haar bed, ze kijkt niet de hele tijd omlaag. De kamer waar ze nu woont, deelt ze niet met een rokende en drinkende Nederlandse, zoals in december, maar met een Ethiopische en een Eritrese vrouw.

Als het gesprek is afgelopen, zet ze een diner op tafel dat ze met z’n drieën hebben gekookt: injera (pannenkoek), gomen (spinazie met kruiden), miserwot (vlees en rode linzen gekookt met peper en kruiden) en minchet (stoofschotel met vlees en ei). Ze neemt een hap van een groene peper als was het een paprika. De aanleiding voor dit gesprek en de reden van haar herwonnen kracht: Fehriwot heeft in februari een teken van leven van haar kind gekregen.

Ze graaft in een plastic tas tot er een DHL-envelop tevoorschijn komt. Daar zit het doopbewijs in van Arsema Hailemeskel, geboren op 5 oktober 2011, gedoopt op 30 december 2014. Het bewijs komt van de Eritrese Orthodoxe kerk St Michael Andabune Aregawi in de Soedanese hoofdstad Khartoum.

Op de akte is een pasfoto geplakt van een stralend meisje van een jaar of vier. Haar gevlochten haren staan naar één kant en ze draagt een lichtblauw shirt.

„Via Eritreeërs in Khartoum kwam ik eindelijk in contact met de pleegouders”, zegt Fehriwot. „Ze waren verbaasd en bang toen ik belde. Ik denk dat ze dachten dat ik in de problemen zat en dat zij last van mijn problemen zouden kunnen krijgen. Zij zijn zelf namelijk ook illegaal in Soedan, als Eritrese familie.”

Onrustig

Sindsdien belt ze af en toe. Niet te vaak. Ze wil de pleegouders niet lastigvallen en haar dochter niet onrustig maken. „Ze begrijpt wel dat ik haar moeder ben, maar ze snapt niet waar ik ben. De afgelopen tijd spreek ik haar vaker – ze wordt wat ouder. Maar ze begint soms te huilen en de pleegouders vinden dat natuurlijk lastig.

„Laatst was ze ziek. Ze moest hoesten, ze had koorts. Ze wilde niet eten of drinken. Haar pleegouders hadden geen geld voor de dokter. Naar het ziekenhuis is nóg duurder. En zij zijn echt heel voorzichtig, ze blijven liefst onder de radar. Uiteindelijk hebben ze bij de apotheek medicijnen gekregen voor Arsema. Nu is ze beter. ‘Mama, kom je morgen’, vroeg ze mij. Maar dat kan niet.”

Fehriwot was ook om een andere reden gespitst op het terugvinden van haar dochter. Ze is uitgeprocedeerd in Nederland, kreeg afwijzing op afwijzing van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) omdat ze geen identiteitspapieren heeft en de ambtenaren niet geloven dat ze uit Eritrea komt – waar Nederland geen vrouwen naar uitzet. Fehriwot spreekt Amhaars en een beetje Tigrinya, de taal van Eritrea. „Tot mijn tiende leefde ik in Ethiopië en daar ging ik naar school, vandaar.”

Haar advocaat heeft het document aan de IND voorgelegd in een zogeheten herhaalde asielaanvraag. Weer afgewezen. Dat een koptische geestelijke in Khartoum met ballpoint haar naam heeft ingevuld bij ‘moeder’ bewijst niets over de identiteit van Fehriwot, stelt de dienst. Dat de doopakte vier jaar na de geboorte van Arsema is geproduceerd, vergroot het wantrouwen alleen maar: ‘U heeft het stuk dus zelf aangevraagd.’ Tijdens de behandeling van de zaak vroeg een van de vrijwilligers die Fehriwot bijstonden, of het zou helpen als ze met een DNA-test konden vaststellen dat Arsema Fehriwots kind is. Nee, zei de ambtenaar, want dat zegt niets over de nationaliteit van de moeder.

Hartpatiënt

Ook haar fysieke conditie blijkt geen doorslaand argument. Dat ze chronisch hartpatiënt is, om de drie weken dient te worden gecontroleerd en levenslang medicijnen moet slikken, volgens de verklaring van de cardioloog, betekent volgens de IND niet dat ze daarom per se in Nederland onder behandeling moet blijven. Fehriwots advocaat voerde aan dat in Eritrea de behandeling in elk geval niet afdoende kan zijn. Daar stelde de IND tegenover dat het helemaal niet vaststaat dat zij Eritrees is, aangezien Fehriwot geen documenten heeft. Daarom, schrijft de dienst in de afwijzende beschikking, zijn bij de behandeling „geen landgebonden vragen gesteld”.

Fehriwot zet de opties op een rijtje – en dat is het rijtje van vele uitgeprocedeerden in Nederland. Ze kan niet illegaal in Khartoum leven, waar haar kind woont. De biologische vader van het kind, die Fehriwot verkracht heeft en daarna weggestuurd, heeft gedreigd Arsema iets aan te doen als Fehriwot terugkomt. In Ethiopië is ze als Eritrese niet welkom. Naar Eritrea kan ze niet worden uitgezet, en zelfs als zij daar wel weer zou wonen, dan kan haar kind er nooit komen zonder papieren.

Haar hoop is dat zij in Nederland kan blijven en haar kind later mag overkomen. Vluchtelingenwerk raadde haar aan Arsema als vluchteling te laten inschrijven bij VN-organisatie UNHCR, dan zouden moeder en dochter als erkende vluchtelingen wellicht eerder worden herenigd.

„Ik heb de pleegouders gevraagd of zij dat willen doen. Maar de kantoren van de UNHCR liggen buiten Khartoum en dat is voor hen niet veilig, zeiden ze me. ‘Als er iets gebeurt, zijn we de klos zonder papieren.’ Ze gaan het proberen.”

Als tienjarig kind ging ze van Ethiopië naar Eritrea. Alle Eritreeërs werden in die tijd uit Ethiopië verjaagd. Haar vader en moeder waren al eerder gevlucht en een vriend van haar vader bracht Fehriwot naar Eritrea. „Toen we daar kwamen, hebben we naar mijn ouders gezocht, maar die waren verdwenen. Ik heb ze nooit meer gezien.”

De vriend die haar toen meenam, heeft nu beloofd te zoeken naar bewijzen van haar verblijf daar. „Hij wil het wel, maar moet erover nadenken. Ook in verband met zijn eigen veiligheid.”

Wat denkt ze? Zorgen de pleegouders goed voor Arsema? „Ik heb hun het kind gegeven in een moeilijke tijd”, zegt ze. „Het was de enige kans voor Arsema. Als ik haar foto zie, als ik met die ouders praat, denk ik dat ze haar met liefde verzorgen. Denk ik. Maar ik weet het niet.”