Opinie

In ieder mens schuilt een beul

Vandaag is het de laatste dag dat nabestaanden van Indonesiërs die eind jaren veertig op Celebes werden geëxecuteerd, een claim kunnen indienen bij de Nederlandse staat. Gisteren zocht ik een oud-Indiëganger op in het dorp Arum bij Franeker. Siebe Tolsma, die als soldaat eerste klas in december 1947 naar Java voer. Een knappe jongen van twintig was hij, met donkere ogen.

Ik kwam samen met de Friese zanger Gerrit Breteler. Siebe Tolsma had hem na een concert opgezocht en gevraagd of hij familie was van zijn vriend die ook Gerrit Breteler had geheten en die korporaal was in zijn peloton. „Ik ben naar hem vernoemd”, had Gerrit geantwoord. „Hij was mijn oom.” Oom Gerrit was op Java doodgeschoten.

„In ieder mens schuilt een beul”, zegt Siebe Tolsma als we achter zijn huis zitten, aan de rand van een eindeloze Friese akker.

‘Als ik de brieven lees die oom Gerrit naar huis schreef”, zegt Breteler, „bevind ik mij in een hysterische, opgefokte hel.”

„Het was een guerrillaoorlog”, antwoordt Tolsma. „Je wist nooit waar de vijand zat.” Als hij ’s avonds bij kampongs in de buurt van Djokjakarta patrouilleerde en de maan scheen zo fel – je kon er de krant bij lezen – dan voelde hij zich een schietschijf. Wie overdag een tani was, een boer, was ’s nachts een bendelid, een plopper.

„’s Nachts verwoestten de dorpelingen in opdracht van de ploppers de weg naar Djokja. Overdag herstelden ze die weer in opdracht van ons. Je wist nooit voor wie ze waren.”

„We liepen in hinderlagen, keer op keer. Gerrit en ik voorop. Ik stond te trillen op mijn benen met die brengun in mijn handen. Ik schoot, maar je zag nooit wie je raakte.”

„Oom Gerrit en mijn vader hebben daar jenever leren drinken”, zegt Breteler.

„Tijdens de ramadan van 1948 werden we aangevallen door een woedende menigte. Gillen en razen in de nacht. We konden niet eens zien of ze wapens hadden. In paniek schoten we erop los. ‘Niet schieten, niet schieten’, riep onze kapitein, maar het was al te laat. Daarna was het zo stil.”

Voor Tolsma op tafel liggen drie oude Rijam-agenda’s van 1948 en 1949. Die dagboeken en zijn geloof in God – het hele bataljon was gereformeerd – hielden hem overeind, zegt hij nu.

„We oordeelden toen al kritisch over ons optreden in Indië”, zegt hij. „We waren daar voor ORV, zei de kolonel: orde, rust en veiligheid. Dat vertaalden we met: olie, rubber en vet.”

„Heeft oom Gerrit wel eens iemand geëxecuteerd”, vraagt Breteler.

Tolsma schudt zijn hoofd. „Kolonel Van Langen was hard, maar wars van oorlogsmisdaden. ‘Wee degene die met Westerling meegaat’, zei hij over de kapitein die op Celebes zijn eigen weg ging. ‘Die komt nooit meer thuis’.”

Dan pakt hij zijn dagboek van 1949, zoekt de datum van 6 maart op en leest hoe Gerrit in de frontlinie „het zijterrein was ingegaan en doodgeschoten. De keel snoerde je zowat dicht. Hij was zo’n zachte jongen.” Tolsma zet zijn bril af en droogt zijn ogen aan een grote zakdoek.

„Mijn vader”, zegt Gerrit Breteler, „heeft een dag later bij zijn graf in Semarang een brief van Paulus aan de Romeinen voorgelezen. Hij is nooit over zijn dood heen gekomen.”