Als je hartstochtelijk van Proust houdt, erger je je soms. Dit keer ten onrechte

Een ‘aanwinst’ en ‘knappe vertaling’ die ontsierd wordt door ‘slordigheden’. In een notendop de kritiek die NRC-criticus Marco Kamphuis leverde op Swanns kant op, de nu verschenen nieuwe vertaling van de eerste drie boeken uit Marcel Prousts beroemde romanreeks À la recherche du temps perdu. Op hun blog verantwoorden vertalers Martin de Haan en Rokus Hofstede die ‘slordigheden’. Reden voor Kamphuis om zijn kritiek in te trekken.

Een ‘aanwinst’ en ‘knappe vertaling’ die ontsierd wordt door ‘slordigheden’. In een notendop de kritiek die NRC-criticus Marco Kamphuis leverde op Swanns kant op, de  nieuwe vertaling van de eerste drie boeken uit Marcel Prousts’ beroemde romanreeks À la recherche du temps perdu. Op hun blog verantwoorden vertalers Martin de Haan en Rokus Hofstede die ‘slordigheden’. Reden voor Kamphuis om zijn kritiek in te trekken.

In zijn recensie ‘Kletspraatjes op de thee bij Swann’ verwijt Kamphuis de vertalers dat ze niet goed genoeg gebruik maken van een groot ‘voordeel’: het feit dat deze drie romans van Proust al twee keer eerder in het Nederlands zijn vertaald. Door Nico Lijsen in 1970 en Thérèse Cornips in 2009. Hadden ze dat voordeel ten volle benut. ‘hadden ze de lezer slordigheden kunnen besparen’, schrijft Kamphuis die Swanns kant op verder ‘een knappe vertaling’ en een ‘aanwinst’ noemt:

‘Ze hebben het over een reiziger die ‘heeft moeten afstappen in een [...] hotel’, terwijl ‘coucher dans un hôtel’ simpelweg ‘de nacht doorbrengen’ (Lijsen) of ‘overnachten’ (Cornips) in een hotel is. Een rond een kerktoren cirkelende ‘corbeau criant’ is een roepende kraai of een krassende raaf, maar in ieder geval geen ‘krijsende’ kraai, en een haardvuur dat een kamer ‘witkalkte met een geur van roet’ is een uiterst ongelukkige vertaling van ‘badigeonnait d’une odeur de suie’.’

Oxymoron

‘Smaken verschillen’, schrijven vertalers Martin de Haan en Rokus Hofstede in de blogpost, De witte geur van roet. ‘Maar toch wringt er iets’. Achter die ‘ongelukkige’ vertaalkeuzes zit volgens De Haan en Hofstede weloverwogen besluitvorming:

‘Als Proust met een prachtig oxymoron zegt dat een kamer wordt witgekalkt (‘badigeonné’, van ‘badigeon’, witsel) door de geur van roet en de recensent de vertalers verwijt dat dit een ‘uiterst ongelukkige vertaling’ is; als diezelfde recensent niet weet dat ‘afstappen in een hotel’ een vaste uitdrukking is die ‘overnachten in een hotel’ betekent, en niet ziet dat de vertalers de synoniemen ‘overnachten’ en ‘de nacht doorbrengen’ hebben vermeden omdat die een storende herhaling van ‘nacht’ zouden hebben opgeleverd; als het niet-idiomatische, maar wel volstrekt correcte (en mooi allitererende) ‘krijsende kraai’ een slordige vertaling wordt genoemd voor het al evenmin idiomatische ‘corbeau criant’ (krassen is ‘croasser’); als de uitgebreide analyse van de beginzin die de vertalers op hun blog hebben gepubliceerd niet is meegewogen in de beoordeling van de vertaling van die zin; als vervolgens op grond van deze paar voorbeelden (alle afkomstig uit het begin van de roman) in zijn algemeenheid wordt gesteld dat de vertaling ‘onzorgvuldig’ is en niet aan de ‘hoge verwachtingen’ voldoet – wat moeten we daar dan mee?’

Hartstochtelijk van Proust houden

Kamphuis geeft de vertalers bij nadere inzien gelijk. In een reactie schrijft hij:

‘Een criticus moet er altijd van uitgaan dat de vertaler zijn woorden zorgvuldig heeft gekozen, stellen ze, en daarin hebben ze groot gelijk.’

De ‘slordigheden’ zijn volgens Kamphuis inderdaad ‘bewuste vertaalkeuzes’. ‘Het moet ermee te maken hebben dat Proust mijn lievelingsauteur is’, schrijft Kamphuis. De vertalers hebben hun stempel willen drukken op deze nieuwe Proust-vertaling, ‘hun vertaling een eigen stem geven’. En dat wekte soms irritatie op. Kamphuis:

‘Dat gebeurt wel vaker, dat lezers die hartstochtelijk van Proust houden, zich over een vertaling opwinden; op zichzelf is daar niets mis mee. Maar formuleringen die me de wenkbrauwen deden fronsen werden me vervolgens door mijn ergernis voorgespiegeld als onzorgvuldigheden – en dat terwijl de vertalers nu juist uiterst accuraat, daarvan ben ik inmiddels wel overtuigd, te werk zijn gegaan. Verder komen kleine foutjes in elke tekst voor, het is kinderachtig voor een criticus om daar zelfs maar over te beginnen.’

Kamphuis schrijft dat hij vasthoudt aan zijn oordeel dat Swanns kant op ‘knap vertaald’ is. ‘Dat er sprake van slordigheden is’, schrijft hij, ‘trek ik in.’