Waar begraaf je een Joodse verzetsheld?

In april zijn de lichamen van drie verzetshelden geïdentificeerd. Een van hen was Joods. Na aandringen van de Joodse gemeenschap wordt hij vandaag verplaatst naar een Joodse begraafplaats.

De 4-meiboeketten zijn alweer verdord. Een handjevol gezinnen loopt over de grindpaden, vaders dragen hun peuter op de nek. Verder is het stil op Ereveld Loenen. Het ruikt naar dennenappels.

Hier wordt vandaag kapper Eliazer Pachter opgegraven. Buiten de reguliere openingsuren, de stichting Oorlogsgraven wil geen vertoning; er liggen nog altijd 4.000 andere oorlogsslachtoffers op het ereveld.

Eliazer Pachter (Amsterdam, 1913) ligt tussen de graven van Karel Walet en Douwinus Janse. Alle drie de verzetslieden zijn in de zomer van 1943 door de Duitsers gefusilleerd. Als extra straf werden ze zonder naam begraven op de Waalsdorpervlakte – drie van de honderden oorlogsdoden die na de bevrijding onbekend zijn gebleven. Sinds 2008 is een werkgroep bezig hun identiteit alsnog vast te stellen en zo kregen deze drie in april dit jaar hun namen terug.

Maar terwijl de namen van Walet en Janse nu ook op de Loenense grafstenen staan, ligt Pachter nog altijd onder het opschrift ‘onbekende Nederlander’. Dat zal met de herbegrafenis van vandaag te maken hebben; zonde om voor die paar maanden een steen te graveren.

Hij is óók Joods

De Joodse gemeenschap heeft Eliazer Pachter tot zich geroepen, zo mogen we het wel zeggen. Nadat de politie in april de identiteit van de drie had bekendgemaakt en Pachter geen levende familie meer leek te hebben, richtte Herman Loonstein – advocaat, de enige ritueeljoodse besnijder van Amsterdam én voorzitter van het Joodse Begrafeniswezen – zich tot de Oorlogsgravenstichting met het verzoek om Pachter te mogen opgraven en bij zijn moeder te leggen op de Joodse begraafplaats te Muiderberg, gewijde grond.

Dat ging niet zomaar, liet de stichting per brief weten. „Op een ereveld krijgt het Nederlandse oorlogsslachtoffer eeuwige grafrust en eer. Daarom hanteert de Oorlogsgravenstichting tot op de dag van vandaag het beleid dat indien het Nederlandse oorlogsslachtoffer een graf heeft gekregen op een van haar erevelden dat graf definitief is ingericht.”

Roel Broer, hoofd beheer en onderhoud, noemt die zielenrust in een telefonische toelichting „een heilige plicht”, die de stichting namens Nederland op zich heeft genomen.

Binyomin Jacobs, opperrabijn van het Interprovinciaal Opperrabbinaat, schreef op verzoek van Loonstein bijna dezelfde woorden aan de stichting: „Volgens de Joodse wet is het een dure plicht voor iedere Jood, en zeker voor een Joodse Begrafenisvereniging, ervoor te zorgen dat een Jood een graf krijgt op een Joodse begraafplaats.”

Botsing heilige plichten

Hier botsten twee heilige plichten.

Wat bepaalt wie je bent? Je afkomst of je daden?

Toen Eliazer Pachter werd aangehouden, januari 1943, was hij bijna 30 jaar en had hij welbewust gekozen voor verzet tegen de Duitse bezetter; hij droeg een met 25 kogels geladen pistool op zak. Daarom is hij geëxecuteerd. En hij was een Jood wiens voorouders sinds generaties op Joodse begraafplaatsen liggen.

Pachter bleek zich op zijn achttiende te hebben aangesloten bij de Nederlands Joodse Gemeente in Amsterdam, waarbij hij ook had aangegeven dat hij begraven wilde worden op een Joodse begraafplaats. Ook een welbewuste daad, en dat gaf voor de Oorlogsgravenstichting de doorslag. Na een „constructief gesprek” met rabbijn Jacobs stemde men in met de herbegrafenis. Inclusief het verzoek aan het Joods Begrafeniswezen of Pachter in Muiderberg met een „eervolle grafinrichting” van de stichting mag worden begraven.