Symfonische show ‘Julia’ is succes in Ahoy’

Acrobatiek in vurige show 'Julia'
Acrobatiek in vurige show 'Julia' Foto Rot Phil Orkest / Kevin Verkruijssen

Er was metershoog vuur. Rood licht. Een mooie solo van bandoneonspeler Carel Kraayenhof. Sterk spel van het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder leiding van Josep Vicente. En – het allerbelangrijkste – er waren imposante hordes nieuw publiek (tickets tussen de 49 en 67 euro) op sportpaleis Ahoy’ afgekomen voor de symfonische show Julia. In veel opzichten kun je dus niet anders zeggen dan dat Julia een doorslaand succes was voor het Rotterdamse orkest, dat voortaan in juni standaard wil uitpakken met innovatieve projecten.

Maar Julia riep ook gemengde gevoelens op. Vooropgesteld: het Rotterdams Philharmonisch Orkest is een geweldig ensemble, dat een pluim verdient voor de moed en de tijdsinvestering van een dergelijk mammoetproject. Julia bracht het orkest dichter bij ‘de gewone Rotterdammer’ dan welk project in jaren dan ook – educatieve shows daargelaten. Maar juist dan denk je ook: wat jammer eigenlijk dat al die duizenden nieuwe bezoekers nu denken dat dít de bekoring van symfonische muziek is. Julia verhoudt zich tot een klassiek concert als katoen tot zijde. Niks mis mee, maar het kan allemaal wel veel verfijnder.

Julia komt uit de koker van percussionist Mike Schäperclaus, die door het RPhO is aangetrokken als innovatiekapitein. Schäperclaus staat zelf met zijn ene been in de klassieke, het andere in de populaire sector en weet dus hoe hij beide in een show bijeen kan brengen. Zo was musicalster Stanley Burleson met zijn bronzen bariton aangetrokken als verteller, die metershoog bungelend aan een touw dingen mocht zeggen als : „Als ergens een liefde dooft, gaat er ergens anders een branden” , waarna het orkest het overnam met opzwepende fragmenten uit El Amor Brujo van De Falla of Prokofjevs Romeo en Julia– goed gekozen stukken van sterke zinnelijke verleidingskracht.

Julia werd geregisseerd door Cirque du Soleil-vader Guy Caron en zet dan ook sterk in op visuele hulpmiddelen om de symfonische vertelkracht een steuntje in de rug te geven. Op groot scherm waren video’s te zien en live-footage van musici omringd door vurige vlamprojecties. Voor op het podium voerden dansstudenten West Side Story-achtige, enthousiaste, wat rommelige groepsballetten uit. Daarnaast waren er acrobatiekacts te zien: lintacrobates, buitelkunstenaars in hoepels.

Het succes van Julia laat zich alleen meten langs de lat van de doelgroep. Die vond het een succes. Maar wie een ‘show’ produceert, meet zich ook met – zegge – Madonna en het wereldkerstcircus, en vanuit dat perspectief zijn er werelden te winnen. Dat gold ook voor de versterking vanuit twee grote luidsprekers aan weerszijden van het podium: een blikkerige, weinig reliëfrijke akoestische beleving , die mede daarom niet emotioneerde. Het orkest zou moeten praten met het inmiddels niet meer bestaande Opera in Ahoy’; een organisatie die veel onderzoek deed naar ruimtelijke versterking in het sportpaleis vanuit drie plekken en daarmee veel verder in de richting kwam van een bevredigend resultaat dan nu het geval was. Zo’n systeem is vier keer duurder, maar is akoestische nuance voor symfonische muziek niet de essentie? Juist een nieuw publiek verdient het beste.