Inspirerende muzen bloemrijk geëerd

Isaac Israels, Lezend naakt (Sjaantje van Ingen), 1894/1900. Museum Flehite Amersfoort.
Isaac Israels, Lezend naakt (Sjaantje van Ingen), 1894/1900. Museum Flehite Amersfoort. Foto Roel de Vringer

Het kunstenaarschap hoeft geen eenzaam beroep te zijn. De kunstenaar – althans die van de ambachtelijke soort – verzint en maakt zijn werk zelf, maar heeft daarbij soms houvast aan anderen. Modellen, bijvoorbeeld. „We hebben er samen aan gewerkt”, zei Alberto Giacometti in 1964 bij voltooiing van een portret tegen de geportretteerde, de Amerikaanse schrijver James Lord. Lucian Freud zag het schilderen naar model ook als een samenwerking. „Ik heb de indruk dat je me bijzonder goed helpt”, zei hij in 2004 tegen de kunstjournalist Martin Gayford, die veertig keer voor hem poseerde.

Spoorwegbeambte Antony Kok, in de jaren vijftig vast model van Kees Verwey, bestond het zelfs om tegen de schilder te zeggen: „Jij hebt die tekeningen niet gemaakt, ík heb ze gemaakt.” Die anekdote staat in de catalogus van O muze!, de negende zomertentoonstelling in De Hallen in Haarlem. In de tentoonstelling zijn een geschilderd portret van Kok en tekeningen opgenomen. Op de bordjes is toch echt alleen Verwey als kunstenaar vermeld.

Net als in eerdere jaren hebben de samenstellers met één thema als uitgangspunt ruimhartig geplukt uit de vele bloemen die er bloeien in de Nederlandse kunst sinds pakweg 1880. Usual suspects en onbekende namen wisselen elkaar af; figuratieve schilders, video- en installatiekunstenaars, beeldhouwers en fotografen delen gebroederlijk de zalen.

Tachtiger Jacobus van Looy is – in de categorie bijbelse muzen – vertegenwoordigd met Eva treurend om het lot van Abel, een academiestuk uit 1884. Er hangen wellustig geschilderde vrouwelijke naakten van Isaac Israels en Harmen Meurs. Carel Willinks echtgenote Sylvia is als rustende Venus misschien ook sexy bedoeld, maar doet toch eerder aan een ontklede paspop denken. Aan de andere kant van het spectrum is er een videowerk van Levi van Veluw waarin diens ouders, broer en zus figureren – familieleden als muzen – en de grootse film Nummer veertien (2012) van Guido van der Werve, die zich daarvoor liet inspireren door Frédéric Chopin.

Een muze mag in Haarlem dus ook een dode beroemdheid zijn, een bijbelse of literaire figuur, een bewonderde collega of een partner die af en toe in het atelier komt kijken en zijn of haar mening geeft over een werk in wording. Zolang het maar een mens is die tot kunst inspireert.

Zoals dat gaat op een zeer gevarieerde tentoonstelling, vindt iedere bezoeker in De Hallen wel iets te bewonderen en iets te versmaden. Werk dat geluid maakt zit ander werk soms in de weg: zo is op de afdeling ‘collegiale inspiratie’ overal het hysterische gekerm en geplons te horen van de tweelingzussen L.A. Raeven, die in een onduidelijke, langdradige video proberen elkaar te verdrinken (geloof ik). Maar pas écht storend, helaas door alle zeven zalen heen, zijn de volkskunst-achtige muurschilderingen met bloemen, bomen, gebouwen en ornamentele vormen die Gijs Frieling om de getoonde kunstwerken heen heeft aangebracht. Daardoor lijkt O muze! een tentoonstelling in een kleuterschool of Oostblokherberg. Ze hebben niets met het thema te maken, maar dringen zich geweldig op. De muzen hebben het even deerlijk laten afweten.