Opinie

Een keurslijfeconomie, is dat wat we willen?

Gezegend is het land waar officiële economen zo serieus worden genomen als hier. De ramingen van De Nederlandsche Bank en het Centraal Planbureau, dat het economisch herstel nog wat extra vaart krijgt, zorgden politiek voor verlossend gejubel. Politici hadden opeens een missie. Zelf economische groei maken lukt de overheid niet (banenkrimp, ideologisch verzet tegen extra eigen investeringen), maar nog te realiseren groei verdelen gaat des te beter.

Dat de groei wat versnelt zie je natuurlijk al enige tijd ‘op straat’, bijvoorbeeld in cijfers over uitzendwerk en woningverkoop. Maar nu is het officieel. Dat de groei de werkloosheid nauwelijks reduceert, zegt genoeg over de lange, lange weg die de Nederlandse economie nog heeft te gaan.

Tijd dus om mijn mapje met verliezers van de crisis uit de stapel te trekken. Twee voorbeelden. De eerste is een brief uit maart van minister Lodewijk Asscher (Sociale Zaken, PvdA) met cijfers over koopkracht van ouderen (65-plus). Tussen 2010 en 2016 blijft hun koopkracht achter bij de rest van Nederland. Wie in 2010 tussen 65 en 70 jaar was, ziet zijn koopkracht tot en met 2016 met 7,4 procent dalen. De pensioenen van deze ouderen worden niet gecorrigeerd voor de inflatie noch verhoogd met de loonstijging. Dat is weer het gevolg van de politiek van de Europese Centrale Bank om de rente ultralaag te houden. De ECB straft spaarders en pensioenfondsen. Het kabinet vindt dat kennelijk acceptabel in het algemeen belang, maar voor oppositiepartijen zijn dit gratis kiezers.

Het tweede cijfer laat zich destilleren uit een fascinerend artikel uit januari van onderzoeker Leontine Treur van de Rabobank. Zij bracht in kaart hoe schokbestendig huiseigenaren en huurders zijn. Hoeveel financiële buffers hebben zij, buffers die meteen te gebruiken zijn (dus geen moeilijk verkoopbaar huis)? De kern van dat zogeheten liquide vermogen is een banktegoed. Treur concludeert dat minimaal (haar cursivering) 2,3 miljoen huishoudens banktegoeden hebben van 5.000 euro of minder. Bijna een op de drie.

Het opmerkelijk is dat deze lage buffers niet alleen het lot zijn van bijstandsmoeders en werkende armen. Ook ongeveer 1 miljoen huishoudens met besteedbare inkomens tot bijna 47.000 euro hebben een buffer die op gespannen voet staat met de adviezen van het Nibud. Het budgetinstituut adviseert, afhankelijk van de samenstelling van het huishouden, een stootkussen van 3.550 tot 5.900 euro tegen inkomensverlies en onverwachte kosten (kapotte auto, wasmachine).

De gevolgen van een buffertekort verschillen per inkomensgroep. Mensen met lagere inkomens consumeren meer gezondheidszorg en komen sneller in ernstige problemen doordat zij het voortdurend stijgend eigen risico in hun zorgverzekering niet kunnen betalen.

Mensen met een hoger inkomen, die vaker een eigen woning hebben, blijven langer financieel kwetsbaar doordat zij verplicht moeten aflossen op nieuwe hypotheken. Zij kunnen dus niet zelf beslissen of zij hun geld gebruiken voor hun eigen spaarvarken. De verplichte aflossing is een publieke maatregel om de private risico’s van wanbetalende klanten van banken en andere financiers te beperken. Terwijl de stroppen van financiers op woninghypotheken werkelijk minimaal zijn. Maar de individuele huizenkoper heeft niks te kiezen. Zo wordt de liberale markteconomie een keurslijfeconomie.

Verplichte aflossingen eten de groei van het besteedbare inkomen op. In de economische groei van nu ligt de stagnatie straks al besloten.