De wetsuit-man

Afgelopen winter werden in Nederland en Noorwegen twee lichamen gevonden van mannen die identieke wetsuits droegen. De politie in beide landen lukte het niet hun identiteit te achterhalen. De Noorse journalist Anders Fjellberg  en fotograaf Tom W. Christiansen deden voor de krant Dagbladet ook een poging. Hij vond een van hen.

Op 27 oktober 2014 spoelde bij de waterlijn van het Texelse dorp De Koog ook een lichaam aan, in precies eenzelfde wetsuit als later in Noorwegen werd gevonden.
Op 27 oktober 2014 spoelde bij de waterlijn van het Texelse dorp De Koog ook een lichaam aan, in precies eenzelfde wetsuit als later in Noorwegen werd gevonden. Foto’s Dagbladet

Abonnees van nrc.next kunnen dit verhaal hier lezen

Deel 1 Spoorloos

Er stond een zuidwesterstorm toen de bejaarde architect zijn jack en rubberlaarzen aantrok en de strijd met de elementen aanging. Beneden in de baai beukten golven van vier meter hoog tegen de rotsen en het water stoof honderden meters over de weilanden bij het zuidelijkste puntje van Noorwegen.

Het eerste wat de architect zag toen hij bij de zee kwam was een wetsuit, uitgestrekt op een stukje gras tussen de rotsen, net buiten het bereik van de golven. „Komt misschien nog wel van pas”, dacht de architect. Er kwam hier maar zelden iemand uit het dorp. Dat duikpak kon hier best al eens een tijd liggen.

Hij rook zeewier en de zee en nog de vage, weeë lucht van iets anders.

De wetsuit was van het merk Tribord. De architect vond het een goedkope indruk maken. Het leek deels binnenstebuiten te zitten, zodat de blauwe wetsuit- sokken in het pak zaten. Uit beide sokken staken twee witte botten.

Kåre Unnhammer van het politiebureau in Farsund is een gezaghebbende figuur met grote ernstige ogen, een grote snor en gouden tanden die blinken als hij praat. Het is een mooie dag in april van dit jaar. In de wachtkamer hangt een waarschuwing tegen bootdieven en een bordje met de mededeling dat de wettelijke grootte voor kabeljauw die ten zuiden van 60 graden noorderbreedte wordt gevangen 40 centimeter is. In de Middeleeuwen werden hier heksen verbrand, maar alles gaat er nu vrediger aan toe. „Dit is een rustige plek”, zegt Unnhammer.

Hij logt in op zijn computer en leest voor uit het logboek. „Op 2 januari 2015 om 15.02 uur werd bij Lista een duikpak met menselijke resten gevonden.”

Forensische experts uit Kristiansand maakten foto’s en onderzochten het lijk, maar dat had zo lang in zee gelegen dat er niet veel meer te onderzoeken viel. Er was geen teken van schade door een scheepsschroef of door steek- of schotwonden. Unnhammer nam aan dat het om een vermiste op de Noordzee ging die gauw genoeg zou worden geïdentificeerd.

Ze vergeleken het lijk uit Lista met de melding van een vermiste uit de buurt van Stavanger, waar een jaar daarvoor een man in een wetsuit was verdwenen. Er was geen match, en ook niet met andere mensen die opgegeven waren als vermist. Ook botten die nog her en der waren gevonden werden geanalyseerd, maar die bleken van een dierenskelet.

„Af en toe spoelt hier een lijk aan, maar het is ons nog nooit overkomen dat we het niet hebben weten te identificeren”, zegt Unnhammer.

Op het bureau hangt een zeekaart van het gebied rond Lista aan de muur. De stroming in de zee is hier heel veranderlijk en onvoorspelbaar. Zelfs de beroepsvissers kunnen niet zeggen hoe de stroom zich de volgende dag zal gedragen. Het is onmogelijk te zeggen waar een lijk dat aanspoelt vandaan is gekomen.

In dit specifieke geval kon Unnhammer niet veel doen.

„Als we zo weinig aanknopingspunten hebben, ligt het antwoord in het DNA-profiel. En dat kunnen we hier zelf niet vaststellen”, zegt hij.

Inspecteur Per Angel identificeert lijken sinds eind jaren tachtig. Hij is hoofd van de ID-groep van Kripos, de Noorse nationale recherche. Hun hulp wordt ingeroepen als er meerdere doden tegelijk vallen of als er een niet-geïdentificeerd lijk wordt gevonden. Angel noemt Noorwegen bij uitstek een land voor ongelukken. „We hebben veel stormen, ruige natuur en duizenden werkplekken op zee en in het Noordpoolgebied. We hebben trein- en vliegtuigongelukken, schipbreuken en terrorisme gehad. We zijn inmiddels bedreven in het ID-werk”, zegt Angel.

De lijst van vermisten in Noorwegen sinds 1947 bevat op het moment dat ik dit schrijf 1.443 personen. De lijst van doden die in diezelfde tijd zijn gevonden, maar die de politie niet heeft weten te identificeren, is aanzienlijk korter. Niet meer dan zestien lijken, met daarbij ook nog enkele gevonden beenderen die vermoedelijk uit pre-moderne tijden afkomstig zijn. „Dit is een speciaal geval”, zegt Angel.

Als Kripos een niet-geïdentificeerd lijk binnenkrijgt, verzamelen forensische deskundigen, pathologen, tandartsen en forensische genetici de zogeheten post-mortemgegevens. Ze stellen een DNA-profiel op, nemen vingerafdrukken en registreren gegevens over het gebit, sieraden, eerdere botbreuken, tatoeages en andere kenmerken die bij de identificatie van een lijk zouden kunnen helpen. Ook proberen ze de doodsoorzaak vast te stellen.

De post-mortemgegevens worden vergeleken met gegevens uit meldingen over vermisten waarin familie of vrienden informatie hebben verstrekt over de mensen naar wie ze op zoek zijn. De belangrijkste vereisten voor een identificatie zijn de gebitsgegevens, de vingerafdrukken en het DNA. Eén gegeven is niet voldoende om een identiteit vast te stellen. Het moet worden ondersteund door een of meer aanvullende vereiste gegevens. Er kunnen bevindingen op het lijk zijn, of medische en tactische gegevens die het lijk met een vermiste in verband brengen.

Geen enkele vermiste in Noorwegen kwam overeen met het lijk dat in Lista werd gevonden. In de wetsuit-zaak is alleen DNA gevonden. Wil Kripos het lijk kunnen identificeren, dan moet er toevallig ergens ter wereld een DNA-profiel zijn geregistreerd of moet een familielid een vermissing hebben gemeld en DNA hebben afgestaan.

Op 5 februari stuurde Kripos via Interpol een zogeheten Black Notice uit. Die bevat een DNA-profiel en een gedetailleerde beschrijving van het bij Lista gevonden lijk. De volgende dag kregen ze antwoord.

Het lijk bij Lista is niet het enige dat is aangespoeld in een grijs met zwarte Tribord-wetsuit.

‘We noemen hem de wetsuit-man”, zegt John Welzenbagh, onderzoeker bij de Nederlandse speciale politie-eenheid voor Vermiste Personen op de Noordzee.

Welzenbagh is 52 jaar, oud-marineduiker, getraind, en hij draagt een donker windjack met een sportieve zonnebril. Hij is het soort onderzoeker dat ’s nachts wakker ligt en over onopgeloste zaken piekert.

Op de veerboot van Den Helder naar Texel wijst Welzenbagh naar een zandbank en legt uit dat hij nog altijd op zoek is naar de identiteit van een man die daar in 1995 op een zeilboot werd gevonden.

Nog maar een paar weken geleden had hij een doorbraak in een andere zaak en nu is hij dicht bij de identificatie van een oudere, waarschijnlijk Franse vrouw die hier vijftien jaar geleden is aangespoeld.

De wetsuit-man werd in de vroege ochtend van 27 oktober vorig jaar op Texel gevonden in een zwart-grijze wetsuit, dezelfde als bij het lijk in Lista 67 dagen later. Het lijk werd gevonden bij de waterlijn op het brede strand voor de terrassen in het dorp De Koog. Dit strand is geliefd bij windsurfers en ’s zomers komen er toeristen uit heel Nederland.

Jaarlijks krijgen Welzenbagh en de Nederlandse Noordzee-groep twintig tot dertig lijken of stoffelijke overschotten ter identificatie. De meeste blijken vermisten uit de omgeving. Meestal wordt de zaak snel opgelost. „Deze zaak is anders”, zegt Welzenbagh.

Hoelang had de wetsuit-man in het water gelegen? Drie dagen? Drie weken? Het is moeilijk vast te stellen hoe snel iemand vergaat als hij in een duikpak in koud water ligt. Waar kwam hij vandaan? Het was ook onmogelijk om daar iets duidelijks over zeggen. Welzenbagh heeft lijken uit het hele Noordzee- en Kanaalgebied gevonden: uit Engeland, Schotland, Frankrijk, Duitsland, België en uiteraard Nederland.

Er waren niet veel lichamelijke kenmerken om op af te gaan. Het enige wat Welzenbagh opviel was dat het lijk heel donker haar had.

„Ik dacht dat hij misschien uit Spanje kwam. Er zijn niet zoveel andere plaatsen in Europa waar je die haarkleur ziet, tenminste niet bij etnische Europeanen”, zegt hij.

Toen de wetsuit-man werd gevonden, waren er in Engeland vier windsurfers als vermist opgegeven. De voornaamste theorie in de eerste dagen was dat een van hen was aangespoeld. Maar die windsurfers waren alweer gevonden. Hetzelfde gold voor een Franse duiker die voor de kust van Normandië werd vermist. Toch meldden de Nederlanders dat het lijk dat op Texel was gevonden dat van een duiker uit Frankrijk was.

„Dat klopte natuurlijk niet, maar zelfs in onze besprekingen werd hij de duiker genoemd. Ik vond dat vrij vervelend”, zegt Welzenbagh. „We konden niet uitmaken om wat voor soort watersport het ging. Ik was bang dat we aanwijzingen die ons konden helpen over het hoofd zouden zien als we hem de duiker noemden. Ik zei: ‘Van nu af aan noemen we hem de wetsuit-man’.”

De politie was weer terug bij af. Vingerafdrukken waren onmogelijk te achterhalen. Er waren geen papieren of andere kenmerken en op het DNA-profiel en de melding van vermissing die ze via Interpol lieten uitgaan kwam geen reactie.

Het duikpak was het enige concrete dat Welzenbagh had. Een wetsuit van 5 millimeter dik neopreen met capuchon, gemaakt om te duiken en te snorkelen bij een temperatuur tussen de 16 en 24 graden. In de Noordzee en Het Kanaal komt de watertemperatuur zelden boven de 15. Eind oktober, toen het lijk werd gevonden, is de normale temperatuur een ijzige 10 graden.

„Er was iets wat niet helemaal klopte”, zegt Welzenbagh.

RFID staat voor ‘radiofrequentie-identificatie’ en daarbij gaat het om kleine datachips die op allerlei manieren worden gebruikt, van de registratie van passagierstolpoortjes tot de identificatie van huisdieren. Ze zijn ook bruikbaar bij allerlei weersomstandigheden, als modern streepjescodesysteem, en voor de opslag van informatie over de weg die goederen afleggen vanaf de productie totdat ze bij een kassa worden gescand en in een boodschappentas verdwijnen.

John Welzenbagh wist dit. Toen hij op het stevig vastgenaaide etiket met het serienummer en de specificaties van de wetsuit het RFID-symbooltje ontdekte, wist hij dat hij zou kunnen uitzoeken waar en wanneer het pak was verkocht. En – als er op de bon een creditcardnummer zou staan – wie het had gekocht. Dit is wat hij ontdekte:

Op dinsdag 7 oktober 2014 om 20.03 uur stond in de Franse havenstad Calais aan Het Kanaal een klant bij de kassa van de sportwinkel Decathlon. Deze klant kocht voor 79 euro een 5mm-wetsuit van het merk Tribord Subsea, medium size. Ook kocht de klant handpeddels – plaatjes die zwemmers aan hun handen doen om bij het trainen meer weerstand te krijgen – een snorkel en duikbril, zwemvliezen, watersokken – meestal gebruikt voor gymnastiek in het water – en een waterdichte plastic map A4-formaat.

Maar dat was nog niet alles: op de bon stond dit allemaal dubbel. Welzenbagh wist heel goed waar een van de wetsuits was: opgeslagen als bewijsstuk in Nederland.

Toen het serienummer op de wetsuit naar Noorwegen werd gestuurd, werd duidelijk waar de andere was beland. Die was tijdens een winterstorm gevonden door een architect in Lista, 850 kilometer van Calais, 87 dagen nadat hij was gekocht.

Het totaalbedrag voor de spullen was 256 euro. De klant had contant betaald. Er zijn geen beelden van een toezichtcamera in de winkel.

Via Interpol leverde het DNA-profiel van de lijken in Nederland en Noorwegen in geen van beide gevallen een internationale match op. Alle sporen in de zaak lopen dood bij de kassa van Decathlon in Calais, amper een uur na zonsondergang op 7 oktober vorig jaar.

Deel 2 De Jungle

John Welzenbagh had geopperd: kan het zijn dat de wetsuit-mannen illegalen waren die Het Kanaal wilden overzwemmen? Want de twee zijn geen officiële vermisten. En hun uitrusting is vreemd: tegelijk professioneel en niet goed genoeg.

Samen met een fotograaf reis ik af naar Calais. Het eerste wat we zien: een handjevol vluchtelingen op een braakliggend, stoffig terrein, die een winkelwagentje vol plastic flessen water voortduwen. „Geen camera”, schreeuwt een van hen tegen de fotograaf.

Overal staan geïmproviseerde tentjes van stokken en plastic tassen. Tweeduizend illegalen wonen hier, in de zomer komen er nog eens zoveel bij. Er is bijna geen water, er is geen elektriciteit, geen verwarming. Er staat één gebouw, waar de vluchtelingen een maaltijd per dag kunnen krijgen. Alleen daar is een kraan.

Bij Calais (70.000 inwoners) is Het Kanaal op zijn smalst: 34 kilometer. Op heldere dagen zie je er de witte krijtrotsen van Dover. De Eurotunnel ligt een paar kilometer buiten de stad. Er is de ferry.

En er is een vijf meter hoog, twintig kilometer lang hek van prikkeldraad. Dat moet de vluchtelingen tegenhouden die maar één doel voor ogen hebben: naar Groot-Brittannië. Vorig jaar overleden er vijftien, de meesten bij ongelukken op de weg. Eén kwam om toen hij van een viaduct op een rijdende vrachtauto sprong. Iemand anders viel onder een rijdende bus met toeristen vandaan; hij had zich vastgeklampt aan de onderkant. Een van de doden was een meisje van zestien.

We bezoeken Decathlon, een sportwinkel op een bedrijventerrein buiten het centrum. Een meisje daar herinnert zich twee jonge mannen die in oktober wetsuits kochten, begin twintig waren ze. Ze zagen eruit als Afghanen.

Ik laat haar de montagefoto zien die ik heb gekregen van Welzenbagh. Maar die man herkent ze niet. En nee, de twee mannen hadden ook niet gezegd waar ze de wetsuits voor wilden gebruiken. Maar ze heeft weleens gehoord van illegalen die een stukje zwemmen en dan worden opgepikt door kleine smokkelbootjes. Die bootjes zetten hen dan over naar Groot-Brittannië.

Misschien komen we meer te weten in de jungle, zoals het terrein wordt genoemd waar de vluchtelingen zich ophouden. Daar praat ik met Henok (26), een Eritreeër. Die vertelt hem zijn vluchtverhaal: Soedan, Sahara, Libië. Dan drie weken in de gevangenis, hij weet niet waarom. Voor 1.700 dollar met een boot over de Middellandse Zee. Zijn vrouw van 21 en zijn zoon van 20 maanden zijn nog in Eritrea. Denkt hij. Hij heeft ze al een paar maanden niet meer gesproken. „Ik denk steeds aan ze. Veel te veel. Elke seconde.”

Net wanneer ik aan Henok wil vragen of hij heeft gehoord van vluchtelingen die proberen zwemmend over te steken, of van mensensmokkelaars met kleine bootjes, moet ik stoppen met het vraaggesprek. De fotograaf, die buiten de tent staat, wordt belaagd door een Ethiopiër, die hem wil beroven. De Eritreeërs jagen hem weg, maar waarschuwen dat de Ethiopiër terug kan komen, met handlangers.

Die dag praat ik nog met Georges Gilles, een gepensioneerde Fransman die vrijwilligerswerk doet in de jungle. Ook hij waarschuwt dat het gevaarlijk is hier. Ik praat met een jonge Afghaan, Khalid, die bij een bouwbedrijf heeft gewerkt dat in 2007 nog werd ingehuurd door de NAVO. Khalid heeft, zegt hij, nu al 25 keer tevergeefs geprobeerd de oversteek te maken naar Groot-Brittannië. Een broer van hem studeert er informatica. Heeft hij gehoord van illegalen die proberen zwemmend naar de overkant te komen?

Ook hem vragen we of hij heeft gehoord van illegalen die proberen zwemmend naar de overkant te komen. Khalid lacht: „We kunnen hier nauwelijks douchen.” De man op de montagefoto herkent hij niet. Wel denkt hij een Hazara te herkennen, Afghanen die oorspronkelijk uit Mongolië komen.

De zoektocht gaat verder, tot de tolk zegt dat we moeten stoppen. Door de montagefoto denken mensen dat we van de politie zijn. We lopen nog even rond, maar niemand heeft gehoord van zwemmers of smokkelbootjes naar Groot-Brittannië. Een politieman zegt: „Wij patrouilleren niet op het strand. We weten niet alles wat hier gebeurt.”

Vlak voordat ik Calais verlaat, vertelt de tolk over Afghaanse groepen op Facebook, waar soms informatie opduikt. Hij post er een kopie van de montagefoto, met een samenvatting van het verhaal.

Twee dagen later neemt een Franse hulpverlener contact op. Ze zegt dat ze een Syriër in Groot-Brittannië kent, die weer een andere Syriër kent die al een paar maanden op zoek is naar zijn neef. De neef was in Calais, voordat hij verdween. Na drie telefoontjes in gebroken Engels hoort ik voor het eerst het verhaal van Mouaz.

Deel 3 Hij zag Engeland liggen

In een vreemd land, duizenden kilometers van huis, kijkt een jongen uit over zee. Hij heeft er een reis van 142 dagen op zitten, en het is herfst geworden. Het weer is onstuimig, typisch voor de Noord-Franse kust.

Wat ooit zijn thuis was, Damascus in Syrië, is voor hem geen thuis meer. Zijn familie, ouders en vier zussen zijn naar Jordanië gevlucht. Sinds zijn vertrek vijf maanden geleden heeft hij ze niet meer gezien. Het is de middag van 7 oktober 2014. Hij is pas een paar uur in Calais.

Hij pakt zijn telefoon en appt zijn oom in Bradford, een kleine stad tussen Leeds en Manchester. „Ik kan Engeland al zien”, schrijft hij.

Hij appt ook dat hij Het Kanaal vast wel met een bootje of zwemmend kan oversteken. Zijn oom antwoordt dat Het Kanaal op de Zee van Marmara lijkt: „Je kunt het land aan de overkant wel zien liggen, maar het is veel verder weg dan je denkt. Je moet niet proberen te zwemmen, dat lukt je nooit. Verstop je in een vrachtwagen”, schrijft hij. „Vandaag ga ik het proberen”, schrijft de jongen. Hij zegt er niet bij op welke manier.

Diezelfde avond, 1 uur en 43 minuten voordat in Decathlon net buiten het centrum van Calais twee wetsuits worden verkocht, stuurt de jongen een berichtje aan zijn zus en familie in Jordanië. „Ik mis jullie.” Daarna heeft niemand meer iets vernomen van de 22-jarige Mouaz Balkhi uit Syrië.

Badi is 38. Zijn haar is naar achteren gekamd, hij draagt een geruite bloes en als hij op het juiste Engelse woord probeert te komen, verschijnt er een warme glimlach op zijn gezicht. Hij is de oom van Mouaz, en kwam zelf als vluchteling naar Groot-Brittannië. In Duinkerken, iets ten noorden van Calais, verstopte hij zich in een oplegger en reisde door de tunnel onder Het Kanaal door.

Badi heeft een verblijfsvergunning voor vijf jaar en woont met zijn vrouw en twee dochtertjes in een typisch Brits huis van rode baksteen, in een immigrantenwijk van Bradford, een uur rijden van Manchester. Dat was de plaats die Mouaz in gedachten had, toen hij op het strand in Calais zei dat hij zou proberen Engeland te bereiken.

Op 8 oktober probeert zijn oom hem te bellen. De telefoon staat uit. De dagen erna blijven ze het proberen, maar steeds krijgen ze meteen de voicemail – een Arabisch deuntje, dat ze de afgelopen acht maanden talloze keren hebben gehoord. Na een paar dagen weten ze zeker dat er iets met Mouaz gebeurd is. Ze weten dat hij 300 euro op zak had, en vrezen dat hij in de Jungle is beroofd en vermoord. In de Jungle heerst wetteloosheid.

Na een week reizen twee familieleden uit Schotland naar Calais om navraag te doen bij de politie. Het zou goed kunnen dat Mouaz is opgepakt en geen contact met de familie kan opnemen. „De politie zei dat ze ons niet konden helpen”, zegt Badi.

Een maand later zijn ze weer op het politiebureau in Calais. De politie weet nog steeds niets. Ze gaan met een foto van Mouaz langs de vluchtelingen in de Jungle. Ze gaan naar het ziekenhuis en het mortuarium, maar niemand heeft hem gezien of weet iets. In maart schakelen ze de Britse politie in. Volgens Badi wordt hun daar verteld dat het niet echt een zaak voor Engeland is, omdat Mouaz vanuit Frankrijk vermist wordt. Wel wordt een zoekactie via Interpol beloofd.

De familie zegt dat ze vervolgens alleen hebben vernomen dat Mouaz niet in de gevangenis in Bradford zat. Ze hebben contact gezocht met een advocaat, het Rode Kruis en de Britse immigratiedienst. „Mouaz’ moeder belt elke dag om te horen of er nieuws is. Het is verschrikkelijk om in deze onzekerheid te leven, en niemand kon ons helpen. Toen jij belde, hoorden we voor het eerst iets concreets over wat er kan zijn gebeurd.”

Badi wil alles weten over de lichamen die in Noorwegen en Nederland gevonden zijn. Hij vraagt of wij denken dat het om zijn neef gaat. Veel van wat Mouaz’ oom vertelt – datum, plaats, hoeveel geld Mouaz bij zich had, dat hij het over zwemmen had gehad – past in het plaatje van de wetsuit-zaak. Wel reisde hij volgens zijn familie in zijn eentje. Of had iemand het idee opgevat om met een volslagen onbekende mee te zwemmen naar Engeland?

We zeggen tegen Badi dat alleen een DNA-test uitsluitsel kan geven. We geven hem een paar latex handschoenen en laten hem met een wattenstaafje langs de binnenkant van zijn wang schrapen. Het wattenstaafje met wangslijm doen we in een plastic zakje. Hij tekent ook een kleine stamboom voor ons, waarin hij zijn verwantschap met Mouaz aangeeft.

Weer terug in Noorwegen geven we de test aan het identificatieteam van Kripos, die het DNA-profiel probeert te bepalen en dit vergelijkt met de ondervindingen die op Lista zijn gedaan. Kripos dient ook een aanvraag in bij Interpol en ontvangt het DNA-profiel van het lichaam dat in Nederland werd gevonden.

Rahaf is een van Mouaz’ zussen. Ze is 19 jaar en woont met de rest van het gezin in de Jordaanse hoofdstad Amman: drie zussen, moeder en vader. We praten met hen via Skype. Rahaf vertaalt wat haar moeder ons vertelt over de zoon die al meer dan een jaar weg is.

Mouaz en zijn zussen zijn opgegroeid in de Syrische hoofdstad Damascus. Hun vader zat elf jaar in de gevangenis omdat hij de oppositie steunde en kwam begin 2011 vrij. Ze woonden in een multiculturele buurt met shi’ieten, sunnieten, christenen, joden, alawieten. Mouaz kon met iedereen goed opschieten. Hij had nooit ruzie, zegt zijn moeder:

„Als iemand ruzie zocht, probeerde hij altijd de boel te sussen”, zegt ze.

Hij keek graag films en hield van zwemmen, vertelt zijn zus. Voor de burgeroorlog uitbrak, ging Mouaz iedere week naar een zwembad in Damascus. Hun gezin was een van de vele miljoenen die de oorlog in Syrië ontvluchtten. Ze kwamen in 2013 naar Jordanië, maar Mouaz bleef in Damascus achter om zijn opleiding elektrotechniek af te maken. Hij werd voortdurend staande gehouden door de troepen van Assad. Het maakte niet uit of je een rebel was of een student aan de universiteit. Soms werd hij meegenomen naar het politiebureau en vastgehouden tot zijn identiteit was gecontroleerd. Mouaz hield het zes maanden vol, toen vluchtte ook hij naar Jordanië.

Schijnbaar had Mouaz helemaal niet weg hoeven gaan uit Jordanië, maar zijn zus zei dat hij niet werd toegelaten aan de universiteit van Amman. Hun vader had ook moeite om werk te vinden. Mouaz voelde zich verantwoordelijk voor de rest van het gezin. Hij was van plan om naar Turkije te reizen, daar aan de universiteit te beginnen en dan zou zijn familie volgen. Ook in Turkije werd Mouaz niet aangenomen op de universiteit, en volgens zijn zus kon hij niet meer als vluchteling terug naar Jordanië omdat hij het land zelf weer had verlaten. Hij besloot naar het Verenigd Koninkrijk te gaan.

„Ze hebben goede wetgeving voor vluchtelingen, hij kon daar dan studeren en onze oom woonde er al”, vertelt Rahaf.

Afgaand op wat zijn familie ons vertelt, lijkt het erop dat Mouaz’ reizen tot dan toe vrij moeiteloos waren verlopen, maar hij begon grotere risico’s te nemen. Op 17 augustus 2014 nam hij een vlucht van Turkije naar het Noord-Afrikaanse Algerije. Daarvandaan reisde hij twee dagen door de woestijn en stak hij de grens over naar het wetteloze en gevaarlijke Libië.

Hij vertelde zijn familie niet zoveel over Libië. Ze weten alleen dat hij er tien dagen doorbracht voor hij een plek wist te bemachtigen op een vluchtelingenboot die over de Middellandse Zee naar Italië voer. Hij werd opgepikt door de Italiaanse kustwacht en kwam veilig aan wal, maar zijn familie wist niet wat zich had afgespeeld. Mouaz was ziek en sliep het grootste gedeelte van de driedaagse reis van Libië naar Italië.

Op 5 september kwam hij aan in Duinkerken. In de twee weken die volgden, probeerde hij zich tien keer tevergeefs in een vrachtwagen te verstoppen en zo het Verenigd Koninkrijk te bereiken. Hij stuurde zijn familie vaak berichtjes. Ze vroegen hoe het met hem ging, of hij zich goed warm hield en of hij wel eten had. Hij antwoordde steeds dat ze zich geen zorgen moesten maken.

Toen hij hoorde dat hij daar het vliegtuig naar het Verenigd Koninkrijk zou kunnen nemen, reisde hij terug naar Italië. Dat bleek een misvatting en hij nam opnieuw de trein naar Duinkerken, waar hij weer twee mislukte pogingen deed zich in een vrachtwagen te verstoppen. Hij had geen geld om mensensmokkelaars te betalen en probeerde het zelf. De ochtend van 7 oktober vertrok hij van Duinkerken naar Calais. De familie weet niet of hij met iemand samen reisde of alleen; de vluchtelingen die hij al kende, waren toen al uit beeld.

Zijn zus was de laatste die hem sprak. Hij zei dat hij zou proberen van Calais naar het Verenigd Koninkrijk te komen, maar zei niet hoe hij dat wilde doen. Hij zei wel een paar keer dat het hem makkelijk leek om naar een schip of veerboot toe te zwemmen en aan boord te klimmen, maar het hele Kanaal overzwemmen, dat had hij nooit geopperd.

Ze kreeg zijn laatste berichtje op de avond van 7 oktober, even voor 18.30 uur. Hij schreef dat hij ze miste. Rahaf kon niets terugsturen.

„Als hij iets gevaarlijks ging ondernemen, had Mouaz het ons wel verteld, dus wij weten zeker dat hij niet is gaan zwemmen. We denken dat hij vastzit in Frankrijk of Engeland en we proberen informatie te krijgen van de politie. Zij zijn de verantwoordelijken”, zegt ze.

De DNA-tests die we bij Mouaz’ oom in Bradford afnamen, tonen aan dat er geen verwantschap is tussen hem en het lichaam dat bij Lista gevonden is. Wat het lichaam uit Nederland betreft voldeed het DNA-materiaal van Badi niet om te kunnen bepalen of er wel of geen match was.

We bedenken verschillende scenario’s over wat er met Mouaz kan zijn gebeurd. Ze zijn geen van alle erg waarschijnlijk. Het komt maar zelden voor dat iemand spoorloos verdwijnt uit Calais.

We nemen nog eens contact op met hulporganisaties in Calais en Duinkerken, maar krijgen geen nieuwe aanwijzingen. Niemand weet iets over mensen die in oktober zijn verdwenen.

Op grond van de details uit Mouaz’ relaas – de datum waarop hij verdween, dat hij het over zwemmen had, dat hij wel genoeg geld had voor een wetsuit, maar niet voor een mensensmokkelaar – besluiten we de familie voor te leggen om een nieuwe DNA-test af te nemen. We sturen de testen die het Noorse Instituut voor Volksgezondheid ons levert naar een contactpersoon in Jordanië. Hij gaat met Mouaz’ ouders en een van zijn zussen naar een kliniek in Amman, waar twee tests worden afgenomen. De ene wordt naar Kripos verzonden, de andere naar de Nederlandse politie.

Kripos belt als eerste. Het nieuwe DNA-materiaal levert geen match op met de persoon die op Lista is gevonden. Een paar dagen later volgt bericht uit Nederland.

Waar kun je nog op hopen, als je zoon, je broer, je neef al acht maanden spoorloos is, en de voortdurend knagende onzekerheid alleen vervangen kan worden door een bodemloos verdriet? In onzekerheid ligt altijd nog een sprankje hoop besloten. Een doodstijding is een antwoord, maar wel een onherroepelijke. Het telefoontje waar je al die tijd al op wacht, met de stem die je zo hebt gemist en die zegt: „Mam, ik leef nog”, zal nooit komen. 22 jaar is geen mensenleven. Het is amper een begin.

We weten niet hoever hij is gekomen. We weten niet wat hij van plan was. We weten niet precies waar hij zijn eerste stappen in het ijskoude water zette, of wie er bij hem was. We weten niet of hij bang was.

Maar we weten nu wel hoe hij heet. We weten dat hij zijn studie elektrotechniek had willen afmaken in het Verenigd Koninkrijk en dat hij zijn familie in Jordanië wilde helpen. We weten dat hij ze miste. Dat was het laatste levensteken dat hij gaf. Op een begraafplaats op het Waddeneiland Texel, tussen Anneke Molenaar van den Brink en Anna Cornelia Alida Boer in, ligt een naamloos graf. Onder de bloeiende madeliefjes, grassprietjes en narcissen rust de jongen die Engeland kon zien liggen.

Zijn naam is Mouaz al-Balkhi, geboren op 6 november 1991 in Damascus, en hij droomde van een beter bestaan.

Hij is 22 jaar oud geworden.