De Togacolumn: Ook de rechter kan zijn gezag zelf verdienen

Rechtspraak zal altijd met een zekere mythe zijn omgeven. Maar gezag dat ‘van onderaf’ wordt toegekend heeft minder risico’s – het is duurzamer en waardevoller. Het kan ook worden hersteld. De Togacolumn, door bestuursrechter Joyce Lie over het fundament van de rechtspraak.

“Ik heb er genoeg van, Joyce Lie. Je krijgt strafwerk. Je gaat een opstel schrijven over het verschil tussen gezag en macht, en je mag er meteen mee beginnen. Op de gang. Eruit!”

Daar stond ik dan, en niet voor de eerste keer. De regelmatige verpozingen in de hal tijdens lestijd had ik voornamelijk te danken aan mijn niet aflatende praatgraagheid. Daar werden mijn docenten begrijpelijkerwijs horendol van. Bovendien had ik toen al een fors rechtvaardigheidsgevoel en daar gaf ik maar wat graag uiting aan, ook wanneer dat gevoel meer door mijn puberende brein werd gevoed dan door een reëel besef van wat op dat moment de meest redelijke visie op iets was.

Ik moest aan dat opstel over gezag en macht terugdenken toen ik onlangs in een artikel van professor Jonathan Soeharno las: “Rechters zijn bekleed met unieke macht om over anderen te oordelen. Zij beslissen over vrijheidsberoving, uithuisplaatsing van kinderen, dwangsommen, (massa)ontslagen, belastingschulden, aansprakelijkheid van bestuurders en nog veel meer.”

Dat is natuurlijk helemaal waar, dacht ik. Rechters zijn machtig. In sommige gevallen beslissen ze letterlijk over leven en dood. Toch sta ik daar tijdens mijn werk niet voortdurend bij stil. Wel ben ik me bewust van de draagwijdte van mijn beslissingen. Van het feit dat de acceptatie van onze uitspraken nauw samenhangt met het gezag dat de rechterlijke macht in de samenleving geniet, en van het grote belang van dat gezag voor de ordening van diezelfde samenleving.

Gezag is iets anders dan macht. Dat leerde ik al tijdens het schrijven van dat strafwerkopstel. Maar ook gezag valt uiteen in verschillende verschijningsvormen. Universitair docent Hendrik Gommer heeft daar in dit artikel over geschreven. Tot het eind van de vijftiende eeuw ontleende de rechter zijn gezag rechtstreeks aan God; men trok het niet in twijfel, dat zou immers betekenen dat aan God zelf zou worden getwijfeld. Ook nu is het rechterlijk gezag nog altijd voor een deel mythisch gegrond. Die toga, de majestueuze omgeving waarin we rechtspreken, het feit dat mensen moeten opstaan als we de zaal binnenkomen; het zijn rituelen met een symbolische betekenis die het mythisch gezag versterken.

Ze voegen echter niets toe aan de tweede door Gommer beschreven vorm van gezag: gezag dat, zoals hij het noemt, ‘van onderaf’ komt. Dat gezag wordt verdiend door het leveren van prestaties, en ook pas na een voortdurende kritische toets door de eraan onderworpenen: de burgers. Het zijn die burgers die het gezag van onderaf aan de rechterlijke macht toekennen; het bestaat dus bij de gratie van hun acceptatie. In een steeds opener wordende democratie wint die vorm van gezag aan betekenis: iedereen kan zijn mening over van alles openbaren – dus ook over rechterlijke beslissingen – en daarmee blijk geven van de mate van zijn vertrouwen. Het in wezen van bovenaf opgelegde mythisch gezag, dat meer uitgaat van wat Gommer noemt “naïef vertrouwen” en van een bepaalde mate van passieve onderworpenheid, verliest daarmee aan terrein en kracht.

Er zullen er zijn die dat jammer vinden, maar ik rouw er niet in het minst om. Als een mythe immers wordt ontmaskerd, wordt daarmee ook het eraan ontleende vertrouwen weggeslagen. Dat is onherstelbaar; eenmaal bekend met het bestaan ervan, gaat iemand niet opnieuw in een mythe geloven.

Hoe anders is het met gezag van onderaf! Die vorm van gezag kan worden versterkt, bestendigd en – zo nodig – hersteld. Door zaken op een vlotte en kundige manier af te doen, door uitspraken in heldere taal op te schrijven, door te communiceren met de samenleving in plaats van op een onoverbrugbare afstand te staan. Wanneer we fouten maken, kunnen we laten zien dat we dat ons als rechters en als organisatie aantrekken en dat we ermee aan de slag gaan. Vertrouwen dat zijn basis heeft in gezag van onderaf is daarom vele malen duurzamer en waardevoller dan vertrouwen dat is ontleend aan mythe: waar mythisch gezag uitgaat van macht, gaat gezag van onderaf uit van kracht.

Natuurlijk zal ons ambt altijd omhuld blijven met een bepaalde mystiek en zal de mythische basis voor een deel van het vertrouwen nooit volledig verdwijnen. Dat is niet erg, integendeel. Maar wat mij betreft mag de verschuiving zoals die plaatsvindt naar het gezag van onderaf, nog verder doorzetten. Daar past ook in dat we gefundeerde kritiek vanuit de samenleving niet vrezen of afhouden. Gommer schrijft: “Kritiek zal het mythisch gezag ondermijnen, maar is juist noodzakelijk voor het gezag dat van onderaf wordt toegekend”, en: “Als men streeft naar verbetering van de kwaliteit zal men kritiek (…) ter harte moeten nemen.” Dat is hoe ik rechter wil zijn: mijn oor te luisteren leggen in de samenleving en nooit, nooit denken dat ik ben uitgeleerd.

Joyce Lie is bestuursrechter bij de Rechtbank Oost-Brabant in Den Bosch. Dit was de laatste Togacolumn in een reeks van eenentwintig die begon op 21 januari. De wisselcolumn werd wekelijks geschreven door een advocaat, een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie en een rechter.