De beste training voor de Tour

Over twee weken begint de Tour de France. Dat is net genoeg om de berg aan nieuwe wielerboeken te beklimmen. NRC-recensent Arjen Fortuin reed alvast de ‘Tour des Livres’ en schreef dertien minirecensies.

Illustratie Aron Vellekoop Leon

De proloog van de Tour des Livres is De Tour van Utrecht dat de ontstaansgeschiedenis van de Tourstart in Utrecht vertelt, helder geschreven door journalist Jeroen Wielaert, die in 2002 het oerplan voor ‘Tour sous le Dom’ op een bierviltje schreef. Heel urgent wordt het nergens: er komen te weinig bedragen in voor om het echt boven de citymarketing (deels is het boek een toeristengidsje) uit te tillen.

Volgens een oude wielerboekenwet staat er in elk boek van Mart Smeets tenminste één goed hoofdstuk, maar in Thuis in de Tour moeten we lang zoeken: veel Smeets, weinig Tour. Of preciezer: het is vooral veel journalistieke logistiek. Die soms interessant is, bijvoorbeeld bij de NOS-paniek toen voor de Tour van 2006 het schandaal rond de Spaanse dopingarts Fuentes losbrak en er behalve Smeets eigenlijk geen verslaggever was: alles was nog op het WK voetbal gericht.

Eigenlijk is Draag nooit een gele trui van Alex van der Hulst geen Tourboek. Wel zit het zo vol geestige etiquette voor de wielertoerist, dat een gevoelige natuur van de weeromstuit nooit meer de straat op durft, want er staan meer don’ts dan do’s in: ‘Ik houd het nog liever in mijn handen dan dat ik het in een zadeltas stop.’ Weg dus dat tasje. En schroef meteen die bel eraf.

Dat is een lekker fel stukkie van Michael Boogerd over Tourfavoriet Chris Froome in Handboek Tour de France. Over het rijden met cortisonen en – veelbetekenend – over Froome’s Sky-ploeg die zo onder de indruk is van de eigen dopingbestrijding dat Sky zich niet aansluit bij de Mouvement Pour un Cyclisme Crédible. Het ruikt hier naar beerput. In de rest van het boekje komt Boogerd te weinig op kop: respectievelijk tien en acht regels gemeenplaatsen over Péraud en Pinot, de nummers twee en drie van 2014.

Niet dat Péraud en Pinot wél figureren in Legendarische wielerkampioenen, een nieuwe versie van een oud handboek van Aart Aarsbergen en Peter Nijssen. Voor iedereen die nog een keer de magische woorden van de eerste Spaanse Tourwinnaar Federico Bahamontes wil nalezen, over zichzelf: ‘Er zijn geen renners meer, er is geen Ronde meer, Federico zal de laatste echte klimmer blijven’.

Weinig subgenres leveren zoveel gemakzuchtige wieltjesplakkers op als de beroemde-rennersbiografie. Uitzondering is Bernard Hinault van de Britse journalist William Fotheringham. Hij vertelt niet alleen het gebruikelijke verhaal van de imposante zeges van een Bretons natuurtalent, maar plaatst hem ook precies op de grens van het oude ‘Europese’ en het huidige ‘mondiale’ wielrennen.

Allesadviseur Pieter Winsemius blijkt prima in zijn wieleranekdotes te zitten in Erop en erover, zijn boek met tips uit de wielersport. Teleurstellend is de brave insteek van de ex-minister. Hij komt tot vier ‘basisculturen’ in het wielrennen, maar daarin ontbreekt nu net het hypercontrolemodel van Lance Armstrong.

Bijzonder is Bidon, van de inmiddels ex-Tourjournalist Peter Ouwerkerk, die zijn herinneringen aan decennia Tourverslaggeving verweeft met het relaas van een wat zinledige tocht naar Noord-Frankrijk, waar Lars Boom vorig jaar eindelijk weer voor een Nederlandse etappezege zorgde. Ouwerkerk is niet de grootste stilist van het korps wielerverslaggevers, maar het beeld van hoe een oud-reporter rondhangt in een finishplaats in afwachting van de grote karavaan waar hij geen deel meer van uitmaakt, is prachtig en getuigt van een diepe liefde voor de sport.

Is wielrennen nu duursport of een mind game? In het aantrekkelijk geschreven De verborgen motor van Martijn Veltkamp wordt vol ingezet op het tweede. Van de liefdesdoping van de betreurde Frank Vandenbroucke tot placebo-effecten bij doping – dit is een boek als een vlakke etappe waar je weinig van verwacht, maar die zich spectaculair blijkt te kunnen ontwikkelen.

Humor is niet het meest in het oog springende kenmerk van de wielerliteratuur en alleen al daarom is de dubbele satirische roman Tour de Farce / Tour de Wobbe van Gert Jan de Vries en Joost Heyink de moeite waard. Tour de Farce schetst een spectaculaire Tour vanuit de volgerskaravaan, inclusief een sterke fascinatie voor de billen van Máxima en de journalistieke strijd om de opvolging van sterverslaggever De Mart. Dat gebeurt tegen de achtergrond van een Tour waarvan zelfs enkele etappes in Dubai worden verreden, terwijl de Nederlandse onbekende outsider, de homoseksuele Wobbe, ineens de wedstrijd lijkt te kunnen winnen. Zijn verhaal staat in Heyinks boek, dat iets minder geestig is, maar sterk toewerkt naar de toch nog best spannende ontknoping.

Zoals er Alpenetappes zijn waarvan je hoopt dat ze nooit voorbijgaan, zo zijn er wielerboeken waarvan je hoopt dat ze nooit ophouden. Zoals De Nederlandse Wielerliteratuur in 60 en enige verhalen van Nederlands oppersportbloemlezer Arthur van den Boogaard. 900 bladzijden van het allerbeste dat er in Nederland over de sport is geschreven. Neem de lyriek van Frans Netscher, die anno 1890 helemaal in de ban is van het wonder van een baanwedstrijd: ‘Met een sierlijke zwenking vloog de machinesliert de bochten in, erdoor, eruit, zich weer strekkend in een rechte lijn op de lange-einden. De bovenlijven hingen over de stuurstangen, knikkend met de koppen, in een vlugge, lenige draaiwenteling van de benen.’

Er is natuurlijk baas boven baas en in de Nederlandse wielerschrijverij is Benjo Maso de bovenbaas. Zijn nieuwe boek Nederland heeft de gele trui beschrijft de beginjaren van het Nederlandse wegrennen, globaal genomen van de jaren dertig tot 1961 als een schitterende tragikomedie. Maso reconstrueert de wedstrijden met precisie. Soepel verklaart hij de tegenvallende toeschouwersaantallen bij de eerste baanwedstrijden: de radioverslagen waren vele malen opwindender dan de wedstrijden zelf.

Winnen in Parijs is een kwestie van een scherpe eindsprint en dat is precies wat Herman Chevrolet biedt in De kunst van het winnen. Zijn eerste hoofdstuk is een harde aanklacht tegen de brave ‘kleine doelen’ van vooral Nederlandse renners. ‘Hoop alleen is niet voldoende, dat is iets voor kanslozen: wie alleen maar hoop heeft is bij voorbaat verloren.’ Daarop volgt een reeks tips en aanwijzingen, onder het motto: ‘Vergeet elke vorm van eerlijkheid.’ Zo pleit Chevrolet voor eigen parochie, want er is een wijsheid die in de hele Tour des Livres onophoudelijk naar voren komt: pas als het oneerlijk wordt, wordt het echt interessant.