Buikpijn van de goede bedoelingen

De voorspelling lijkt uit te komen: de wet om flexwerkers beter te beschermen dreigt te mislukken. Waarom was de steun in de Tweede Kamer dan zo massaal?

Illustratie XF & M
Illustratie XF & M Illustratie XF & M

Wat moet je als Tweede Kamer met een wet die nog niet eens geldt maar misschien nu al is mislukt? En waarvan je met zijn allen wist dat dat kon gebeuren, maar die je toch massaal steunde?

„Het doet pijn in mijn hart”, zegt Pieter Heerma van het CDA, „als ik op een klein familiebedrijf rondloop en hoor hoe de wet Werk en Zekerheid uitpakt.”

Een man, vrouw, drie kinderen: ze telen asperges en aardbeien. Drie keer per jaar zet het bedrijfje maandenlang zo’n 150 mensen aan het werk. Door de nieuwe wet, die op 1 juli ingaat, zou de familie al die losse medewerkers na twee jaar in vaste dienst moeten nemen. Of nieuwe mensen inhuren, maar dan wel voor de oude nog een ontslagvergoeding betalen. Of – en daar denkt deze familie serieus over – het bedrijf laten krimpen.

Dat is nooit de bedoeling geweest, zegt Heerma: „Dat er minder werk zou komen door de wet.”

Het doel was: flexibele arbeidskrachten beter beschermen. Ze hebben door de wet sneller recht op een vast contract en krijgen een ontslagvergoeding als ze twee jaar voor een bedrijf hebben gewerkt, ook als dat niet in vaste dienst was. Voor ondernemers staat er tegenover dat het makkelijker wordt om vaste medewerkers te ontslaan. De vakbonden en de werkgevers hebben dat in 2013 met elkaar afgesproken in het ‘sociaal akkoord’, minister Lodewijk Asscher (Sociale Zaken, PvdA) maakte er een wet van, de Tweede Kamer stemde er met een overgrote meerderheid mee in en de Eerste Kamer ook.

Nu blijkt dat er bedrijven zijn – en ook basisscholen, hogescholen, universiteiten en andere overheidsinstellingen – die vóór 1 juli nog snel hun flexibele medewerkers ontslaan of andere contracten geven, waardoor ze niet meteen aan nieuwe verplichtingen vast zitten.

Vakbond CNV verzamelde zo’n tweehonderd meldingen, Tweede Kamerleden krijgen er e-mails over – en ze zien om zich heen wat er gebeurt. Zoals Linda Voortman van GroenLinks, net moeder geworden: „In ons kinderdagverblijf zijn er twee medewerkers van wie het contract niet wordt verlengd, omdat de wet eraan komt. Door de bezuinigingen in de opvang kan het dagverblijf hen niet in dienst nemen.”

Minder flex, minder vast

In de Tweede Kamer is het er vaak over gegaan, alle leden van de vaste Kamercommissie voor Sociale Zaken wisten dat het risico er was. Asscher zei dan: de werkgevers en werknemers hebben dit bedacht, zij gaan zich aan de letter en de geest van de wet houden. En die geest is, zei Asscher steeds weer: flex wordt minder flex, vast minder vast.

CDA’er Heerma zegt dat hij er „met buikpijn” bij zat. Samen met GroenLinks stelde hij voor om ook langere losse contracten mogelijk te maken, waardoor tijdelijke werknemers niet al na twee jaar in vaste dienst moesten worden genomen en misschien dan al zouden moeten vertrekken.

GroenLinks en de SP stelden voor om flexibele krachten vanaf dag één recht te geven op een (lage) ontslagvergoeding. Dat haalde het niet: vakbonden en werkgevers keken streng mee, met PvdA en VVD als vooruitgeschoven posten.

Waarom was de steun in de Kamer dan toch zo breed? GroenLinks stemde voor, maar met een voorbehoud bij de wetsartikelen over de duur van flexcontracten. De SP had voor willen stemmen, maar in de wet staat ook dat de duur van de ww vermindert van drie naar twee jaar en daar is de partij fel tegen. En verder: D66, CDA, ChristenUnie, SGP – allemaal vóór.

Nul komma één

Diepe zucht. Dan zegt Carola Schouten (ChristenUnie), op haar werkkamer in de Tweede Kamer: „Wij hadden nul komma één marge, omdat anders het sociaal akkoord werd aangetast. Ik vond het heel waardevol dat werkgevers en werknemers er samen uit waren gekomen. En we dachten: dan kunnen we hen daarop aanspreken.”

De vervolgvraag stelt ze zelf: „Maar als de sociale partners het er nu bij laten zitten? Dan moet je je nu dus afvragen: hadden we het niet veel scherper ter discussie moeten stellen? Wíj zijn de wetgever, we hadden er harder in moeten gaan.”

Had de Tweede Kamer scherper moeten zijn? „Ja, misschien wel”, zegt Heerma (CDA). „Maar dan was de uitkomst voor ons niet anders geweest. Er zitten ook mooie elementen in de wet, zoals meer focus op de overgang van werk naar werk, één duidelijke ontslagroute en de verkorting van de WW-periode. En de polder, het overleg van werkgevers en werknemers, is voor het CDA de kern voor onze wijze van politiek bedrijven.”

De Kamerleden horen Asscher soms zeggen: ‘Ik heb ook nooit gezegd dat iedereen door deze wet een vaste baan krijgt’. „Maar wat ik wil weten”, zegt Steven van Weyenberg (D66), „is: krijgt iemand die anders nog wel aan het werk zou zijn, nu geen contract meer? Wat we horen, zijn dat incidenten? Ik wil dat beeld snel hebben, voor mij staat het stoplicht op oranje.”

Van Weyenberg is géén fan van de polder. Maar ook hij zegt: „De werkgeversorganisaties hebben hun handtekening eronder gezet. Als ze zich er niet aan houden, waarom praten wij dan met hen? VNO-NCW, het midden- en kleinbedrijf, de land- en tuinbouworganisatie LTO: ik ga ervan uit dat zij voor elkaar krijgen dat hun achterban de afspraken nakomt.”

De steun in de Tweede Kamer was er vooral omdat alle partijen vinden dat het verschil te groot is tussen de arbeidskrachten-in-de-draaideur en de goed beschermde vaste werknemers. Als het doel is om dat in een wet beter te regelen, is het lastig om er tegen te zijn. Zelfs SP-leider Emile Roemer gaf het deel van de wet dat over flexwerk gaat, een tien.

„Ik neem hem dat niet kwalijk”, zegt SP-Kamerlid Paul Ulenbelt. „Er werd zeker een stap vooruitgezet. Maar als je een mooie schoen hebt, kun je veel last hebben van een steentje erin. En dit is een heel scherp steentje. De draaideur op de arbeidsmarkt gaat sneller draaien.”

Ulenbelt noemt het vertrouwen van zijn collega’s in de afspraken tussen werkgevers en vakbonden „grenzeloos naïef”. „Als die mensen doen wat ze hebben afgesproken, hoef je toch geen wet meer te maken? Een deel van de werkgevers zal doen wat de bedoeling is, maar die deden dat toch wel.”

‘Hartstikke moeilijk verhaal’

Hoeveel spijt of inzicht-achteraf is er bij Asschers eigen PvdA? Kamerlid Roos Vermeij ziet „overgangsproblemen” en „een bak vol zorgen, vooral in het seizoenswerk”.

Maar of het echt al verkeerd loopt? „Het is een hartstikke moeilijk verhaal. Maar we weten het nog niet. Ik zie dat er al bedrijven zijn die verplichtingen uit de wet willen vermijden en mensen ontslaan. Ik vind het bezopen dat hogescholen en universiteiten van flex een angstprincipe hebben gemaakt. Hebben die bestuurders dan zelf een flexcontract?”

Vermeij gaat er toch van uit dat het doel kan worden bereikt. „Maar ik ga de wet er natuurlijk op toetsen. In het najaar behandelen we de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en ik ga als volksvertegenwoordiger met een ideaal natuurlijk niet níét uit mijn doppen kijken.”

En als blijkt dat de wet niet doet wat de bedoeling is? „Dat weet ik nog niet en dat is maar goed ook. Het moet nog 1 juli worden.”

Goede voorbeelden

Minister Asscher schreef gistermiddag aan de Tweede Kamer dat „recente berichtgeving” erop lijkt te wijzen dat „niet iedere werkgever” zich aan de afspraken houdt. Maar volgens hem is dat geen reden om de afspraken nu al ter discussie te stellen. En er zijn volgens hem al goede voorbeelden van cao’s waarin vast en flex worden geregeld zoals de bedoeling is van de wet.

De meeste oppositiepartijen willen toch dat er nog vóór 1 juli een debat over komt. Maar de regeringspartijen PvdA en VVD weten niet of ze dat nodig vinden – en dan komt zo’n debat er niet.

Anne Mulder, VVD-Kamerlid, zegt dat zijn partij „de vinger aan de pols houdt”. Maar dan bedoelt hij dat zijn partij zal opletten of het ontslagrecht wel echt eenvoudiger wordt, en dus werkgevers helpt.

Hoe erg is het als het niet lukt om tijdelijke arbeidskrachten beter te beschermen?

Mulder denkt er lang over na en zegt dan: „In algemene zin zou het erg zijn voor de arbeidsmarkt als bedrijven mensen vaste contracten willen aanbieden maar dat niet doen omdat een vast contract nog te muurvast is, versterkt door de cao’s.”

En het effect van de wet zelf? Daar krijgt ook hij e-mails over. „Dan staat er: ‘Meneer Mulder, de wet probeert mij te beschermen, maar mijn werkgever ziet zich gedwongen om mij te ontslaan, omdat hij nog niet weet of hij mij in dienst kan nemen.”

Vanuit „bedrijfseconomische redenen” kan Mulder het zich voorstellen als werkgevers tijdelijke contracten niet verlengen. „Maar dan begrijp ik niet waarom de brancheverenigingen van deze bedrijven voor de afspraken hebben getekend.”

Mulder denkt dat er nu niks anders op zit: de werkgevers en vakbonden moeten verder praten. „Want het is gek, hè? De werkgever is niet blij, de werknemer is niet blij. Dan is het misschien wel zo dat de partijen die hen vertegenwoordigen te weinig oog hebben gehad voor het draagvlak bij hun achterban.”