Wat Dekker wil, maar wel minder

Ze zijn voor financiële openheid, maar wat een individueel programma kost, willen de omroepen niet vertellen.

Grote woorden gebruikte staatssecretaris Dekker (Media, VVD) voor zijn plannen met de publieke omroep. Die moest onderscheidener, creatiever, toekomstbestendiger. Hij schetste de contouren. Maar hoe Hilversum zou moeten concurreren met Netflix of meer jongeren kon trekken mocht men zelf bedenken. Na veel overleg stuurt de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) vandaag het antwoord aan Dekker.

In april lekte een eerste versie van de plannen uit: koepelorganisatie NPO wilde veel meer centraal regelen. In het plan van vandaag staat echter vrijwel niets meer dat direct verwijst naar een grotere NPO-macht. Zorgvuldig meldt de raad van bestuur dat hij het bestaande precaire machtsevenwicht wil respecteren. De NPO zou geschrokken zijn van de commotie. Dat zie je aan wat is overgebleven van vier omstreden vernieuwingsplannen.

Openstelling voor buitenproducenten

Dekker wil de publieke zenders openstellen voor programma’s van niet-omroepen, zoals productiebedrijven en onderwijsinstellingen. Deze zouden met hun programma-ideeën rechtstreeks naar de NPO kunnen, dat de uitzendschema’s vaststelt. Dekker droomde van een wetenschapsprogramma van de KNAW of van Rijksmuseum TV.

De losse omroepen vrezen echter concurrentie. Dus dit is er van overgebleven in het plan: een buitenproducent kan zijn idee pitchen bij het NPO-bestuur. Dat koppelt die producent aan een omroep. Als dat niet lukt, wordt hij gekoppeld aan de NTR. Daarna kan de zendercoördinator nog besluiten om het programma toch niet te nemen. Omroepen die samen met buitenproducenten een programma maken; dat is allang de praktijk. (Het eerdere voorbehoud dat ten minste 50 procent van de zendtijd voor de omroepen blijft gereserveerd, staat niet in dit vijfjarenplan.)

Grote vraag: hoe reageert Dekker op dit compromis? Zijn wens om het bestel te vernieuwen, lijkt hier niet helemaal geslaagd.

Genrecoördinator

Een ander idee dat Dekker kreeg van adviesorgaan Raad voor Cultuur: de genrecoördinatoren. Per programmagenre (drama, journalistiek) zou een boven de omroepen gestelde manager beslissen welke programma’s in dat genre worden gemaakt. Dit moet dubbelingen en hinderlijke omroeppolitiek (‘de VARA mag dit, dus nu wil de KRO dat’) voorkomen.

De omroepen vinden dit niets. Het is een inhoudelijke ingreep, terwijl juist de omroepen over de inhoud van hun eigen programma’s gaan. Dit is wat er van overblijft in het plan: de NPO gaat voorzichtig experimenteren met één genrecoördinator, voor drama en documentaire. Het blijft onduidelijk hoe de genrecoördinator zich verhoudt tot de al bestaande net- en zendermanagers.

Online

Ook de digitale plannen zijn verwaterd. De NPO wilde graag een eind maken aan de wildgroei online. Voortaan moest al het onlinebezoek door één poort: NPO.nl. Alleen daar mocht je de programma’s bekijken. Technisch handiger, commercieel aantrekkelijker. De Ster wil graag meer reclame verkopen bij bijvoorbeeld Uitzending gemist.

De omroepen willen juist graag over de eigen programma’s beschikken en betoogden dat dit ook past bij de digitale werkelijkheid: online gaan producenten naar hun publiek toe, ze benaderen hen vanaf zoveel mogelijk kanten. Dus moet je de programma’s op allerlei manieren aanbieden. Op de omroepsite, maar ook op Facebook en YouTube.

Dit is er wat er van de online centralisatie overblijft: de omroepen behouden hun eigen portals, en de NPO benadrukt nu dat je ook in grotere mate dan eerder publiek via sociale media mag zoeken. De NPO kiest niet, maar volgt een én-én-strategie. Digitale themakanalen behouden hun redacties. Een nieuwe (betaalde) videodienst van de publieke omroep, met tijdloze programma’s van verschillende seizoenen, wordt nu slechts overwogen.

Draagvlak

De NPO wil het draagvlak vergroten, door meer openheid te geven, onder meer over geld, en door te luisteren naar kijkers. Maar dat lijkt minder ver te gaan dan Dekker wil.

Hilversum wil bijvoorbeeld niet vertellen wat individuele programma’s kosten. De NPO-top wil alleen melden hoeveel geld er naar netten, zenders en platformen gaat, en naar verschillende genres. Omroepdirecteuren vrezen dat Den Haag anders straks vraagt waarom een programma een paar ton kost, en maar zo weinig kijkers trekt.

Kijkers, luisteraars en internetgebruikers moeten sneller en directer kunnen zeggen wat zij vinden van programma’s. Maar, schrijven de omroepen aan de raad van bestuur: „Wij zien geen heil in het creëren van een algemeen loket bij de NPO-organisatie voor reacties op het programma-aanbod en het aandragen van programma-ideeën.” Zo blijft de publieke omroep misschien wel ‘van iedereen, voor iedereen’, zoals Hilversum zelf graag zegt. Maar niet dóór iedereen.