Theater, storm en schapen

Op Terschelling moet je soms lang en met straffe tegenwind fietsen om van de ene voorstelling naar de andere te komen. Maar de sublieme locaties omringd door natuur tillen zelfs middelmatige producties boven zichzelf uit.

Zo idyllisch als het eiland zich vrijdag toont – 30 graden Celsius, de terrassen vol, sommige Oerolgangers zwemmen ’s middags zorgeloos in zee – zo intimiderend is Terschelling zaterdag, als de wind zich fel tegen ons keert. Op Westerkeyn, het festivalhart, jaagt hij schaarse plukjes bezoekers de tenten in, waardoor het terrein de aanblik biedt van een gesloten kermis in november. Maar de klanten van restaurant Vaste Gasten eten dapper door, onder een woest bulderend tentzeil, terwijl de sla van hun bord waait en de kaas van het plankje.

Zaterdagnacht, na twee uur Wunderbaum nabij strand Oosterend, nauwelijks beschut door het duin, met windkracht 5 in de rug en verkleumd door een niet-aflatende, zoute nevel-douche (één deken per twee bezoekers), wagen zich nog zeker honderd festivalgangers per fiets aan de barre terugtocht: tachtig minuten naar Terschelling-West, mét tegenwind. De Oerolbezoeker verdient een tien voor volharding.

Maar die volharding is niet voor niets; de beloning van Oerol kan groot zijn. Zoals bij Lutine van Orkater (recensie rechts), gespeeld op strand West, waar vertelling en locatie, heden en verleden subliem samenvloeien. Of bij de eerste scènes van openingsvoorstelling Erf, van Schweigman&, gespeeld op duinweiland Griene Pôllen, een groenstrook ter grootte van een voetbalveld, omzoomd door donker bos. Theatermaker Boukje Schweigman laat vijftig spelers (vrijwilligers van het eiland), één voor één, tergend langzaam, opdoemen uit het loof. Ze dragen grote, vormeloze jassen in bruintinten, als voorouders op vergeelde foto’s. Traag trekken ze aan ons voorbij, blik op oneindig, temidden van de natuur, die er altijd was en er altijd zal zijn. Zo zien we de tijd verglijden, mensen komen en gaan, in een stille bespiegeling over vergankelijkheid.

Schweigman weet het sterke begin niet te prolongeren, en zodra de magie is verbroken manifesteren zich genadeloos de nadelen van buitentoneel: gedoe met muggensprays (vrijdag: warm!), een polyfoon geknisper van windjacks en de puberale opwinding die zich in golven over de tribune verspreidt zodra iemand ergens één druppel heeft gevoeld. Hutje mutje, knie aan kont, kun je dan bij vlagen heel sterk verlangen naar het royale pluche van de schouwburgzaal.

Maar Oerol heeft natuurlijk één groot voordeel: de sublieme omgeving tilt zelfs middelmatige producties ver boven zichzelf uit. Verdrietfabriek van Lieke Benders is een goed concept, in een helaas wat halfslachtige uitvoering. Benders laat bezoekers in kermisattractie-achtige karretjes een parcours afleggen langs vijf tentjes in het weiland bij Schapenkaasboerderij Halfweg. In elk tentje krijgen we geluidsfragmenten te horen over verdriet en troost. Maar de afgenomen interviews blijven veelal te algemeen; soorten verdriet worden afstandelijk opgesomd (liefdesverdriet, verdriet om een kind), en de montage heeft een ergerlijke herhaling niet kunnen voorkomen (liefdesverdriet, verdriet om een kind). Een gemiste kans, want als een geïnterviewde wel even echt persoonlijk wordt – de man die nooit een relatie had, de vrouw die haar man verloor – zijn de fragmenten direct aangrijpend. Die momenten zijn helaas te schaars.

Maar de teleurstelling is niet lang bestand tegen de troef van de natuur. Precies op het moment dat het karretje een tentje verlaat, met fraai uitzicht op het weidse groen, davert een schitterende jonge zwarte hengst voorbij, manen in de wind, gevolgd door een vrolijk mekkerend clubje schapen. Traan. Lachbui. Troost? Op Terschelling is het overal.