Opinie

’t Gaat alleen om leven niet om het waarom

Dat we niet meer zouden hoeven te verouderen, dat we wel 120, 200, 300 jaar zouden kunnen worden. In de niet eens zo verre toekomst. En wat we daarvan vinden. Het zijn onderwerpen waar je wel eens over nadenkt, maar tegelijkertijd hebben ze iets volstrekt speculatiefs en onzinnigs. Ik denk bij zulke onderwerpen vaak aan het grappige en veelzeggende gedicht van Judith Herzberg: „En toen ze vroegen wat ze later wilde worden/ zei ze: graag invalide, en zag zich al”. Een lange fantasie over het comfortabel verzorgde leven dat dat zou opleveren, met als slot: „Nooit, nooit zou ze slijten.”

Intussen gaan er gewoon mensen dood. Sommigen veel te jong. De vriend die vorig jaar zo maar dood neerviel, op zijn 54ste, had weinig te kiezen op het gebied van lang leven. Geen arts had gezien dat zijn hart deze fundamentele zwakte in zich borg, hij had er immers nooit een klacht over.

Kanker is veel beter te genezen maar toch ook nog lang de wereld niet uit. Betrekkelijk jonge mensen kunnen er nog steeds aan dood gaan, soms na jaren van operaties, chemokuren, pijn, misselijkheid, ziekenhuizen. Vaker dan over onze eventuele onsterfelijkheid hebben we toch zulke gesprekken: hoe ver zou je gaan, wanneer wordt kwaliteit van leven belangrijker dan duur?

Zolang je gezond bent kun je zo luchtig denken dat je niet aan ‘al dat gedokter’ zou beginnen. Maar het is wel duidelijk dat het menselijk voorstellingsvermogen nogal ernstig tekort schiet en dat je je maar zelden ècht in een gevoel of een sensatie in kunt leven. Als ik nu de tuin in kijk is de kale boel die twee maanden geleden door mij nog als bijzonder ‘beloftevol’ ervaren werd, onvoorstelbaar. Laat staan dat je bij leven kunt voorstellen dat je er niet meer bent.

Toch moeten allerlei mensen dat doen, en dan beslissingen nemen over hoe lang en onder welke condities ze er nog wel willen zijn.

Ik las de brieven van Frans Kellendonk – wat een geweldige brieven. Het is een boek om van begin tot einde te lezen, dan zie je een persoonlijkheid van jewelste eruit oprijzen. En dan doemt daar, als hij nog maar 33 is, op de achtergrond het spook op van ‘de nieuwe Amerikaanse ziekte’ die hij misschien heeft.

Die hij, naar later blijkt, zeker heeft.

Hij schrijft maar heel weinig over de dood en over de korte tijd die hem nog rest. Pas op het laatst, als hij echt ziek is en zijn leven teruggebracht is tot weinig meer dan overleven, schrijft hij aan Pieter Kottman, wiens geliefde zelf ook aan aids lijdt: „Alle grote vragen – waartoe, waarom, enz. – worden volkomen onbelangrijk. Wat je ervan leert is dat leven het hoogste goed is, punt uit.”

Dat is waarschijnlijk hetzelfde gevoel van waaruit mensen speculeren over tweehonderd worden. En waarom ze hoopvol ellendige behandelingen verdragen. Of ook waarom ze het flauwekul vinden om te beweren dat juist de eindigheid van het leven er zin aan geeft. Een bewering die voor mensen zoals ik, die menen nog lang niet aan de beurt te zijn en vaag denken dat ‘ooit’, op een natuurlijk moment, pas te zullen komen, heel acceptabel en begrijpelijk is.

Ik kan comfortabel denken: lang leven, ach, dat is niet het belangrijkste. Goed leven, dáár gaat het om.

Maar misschien is dat niet waar, als het erop aankomt. Misschien gaat het inderdaad alleen maar om leven. Het licht van de zon zien, zoals de Grieken eenvoudigweg zeiden.