Opinie

Het onverwoestbare gemak van het kapitalisme

Rennend haalde ik mijn toch al te krap geplande trein – een spoorwijziging, geen plek in het fietsenrek, een minuut te lang voor de spiegel, de wekker die niet overtuigend rinkelde. Ik was onderweg naar een museum in Haarlem, waar ik een praatje zou houden. Een verkoudheid had mijn stem al afgenomen en ik probeerde niet te denken dat het nu helemaal misging; dat ik straks gênant bezweet en met een schraalgesnoten neus voor een zaal moest staan.

Zo zat ik in een klamme coupé toen hij voorbij kwam, een frêle jongen van een jaar of veertien. Bij iedere passagier legde hij een pakje zakdoeken neer met een briefje ‘geen bedelaar. Ik heb 2 broers zijn arm ouders gescheiden. Ik zorg moeder. Ik smeek me te helpen door het kopen van mij dit servet god zij dank heb je de vrede’.

Wat een gelukkig toeval, dacht ik. Net nu ik een zakdoek nodig had. Ik gaf hem al mijn kleingeld, depte mijn zweet en snot.

De jongen die voor zijn moeder moet zorgen, redde mij.

De één zijn dood is de ander zijn brood, vergoelijkte ik mijn egoïstische gedachtegang. Voor wat hoort wat. Je kunt niet alles hebben. Het leven is geven en nemen. In mijn hoofd klonk het gebalanceerd.

In de politieke filosofie wordt over de samenleving gesproken als een ‘sociaal contract’. Dat contract wordt collectief gesloten, bijvoorbeeld wanneer je op een politieke partij stemt. Maar vaker nog zet je een handtekening zonder dat je het door hebt. Zodra je over straat loopt, ondersteun je het feit dat er belastinggeld wordt geïnd voor infrastructuur. Hoewel filosofen van mening verschillen over de aard van de mens (is hij altruïstisch ingesteld of van nature slecht?), wordt het sociaal contract altijd nodig geacht vanuit het idee dat er schaarste heerst.

Terwijl het vandaag de dag toch vooral de slechte verdeling van veel is die verdrietig maakt, niet de schaarste.

Mijn praatje in Haarlem ging letterlijk vlekkeloos. Inhoudelijk ging het redelijk. Na mij volgden andere lezingen, een spreker citeerde Slavoj Zizek: „Het is makkelijker het einde van de wereld voor te stellen dan het einde van kapitalisme.”

Ik wilde absoluut niet zweterig in Haarlem arriveren en om dat te voorkomen dacht ik over die jongen met de zakdoekjes: goed geregeld. Ik had profijt van onze ongelijkheid. Het gemak dat het kapitalisme biedt, maakt het systeem onverwoestbaar.

Op de terugweg liep ik over de Grote Markt. Het shoppende zaterdagpubliek verdween in cafés, marktkramen werden afgebroken. Bij een bakkerskraam bleef ik staan, of hij nog brood had? Hij haalde een zwaar krentenbrood tevoorschijn. Omdat zijn voorraad schaars was en hij me geen keus kon bieden, drong ik op korting aan.

Met het brood voor de helft van de prijs liep ik richting station en dacht: goed geregeld.