Jodenaquarium

ILLUSTRATIE OLIVIA ETTEMA

Nu het strandseizoen weer is begonnen, hier een woordgeschiedenis uit de begintijd van het Nederlandse badleven.

Lang was Zandvoort een tamelijk onbeduidend vissersdorp met een enkel badhotel. Dat veranderde in 1881, toen er een spoorlijn naar Zandvoort werd aangelegd. Opeens dromden de badgasten toe, met name uit Haarlem en Amsterdam. Veel investeringen waren gedaan door Nederlandse en Duitse joden en omdat Amsterdam indertijd een grote joodse populatie had, kwamen er relatief veel joden naar Zandvoort.

Dat bleef niet onopgemerkt. Op 2 juni 1881 reed de eerste trein naar Zandvoort en op 26 augustus 1881 meldde een krant: „De nieuwe zeebadplaats Zandvoort maakt goede zaken en belooft een fraaie speculatie te worden voor de ondernemers die de zaak op touw hebben gezet. Grappig genoeg geeft ons publiek aan die badplaats, waar een zeer groot aantal Israëlitische medeburgers voortdurend te vinden is, den eigenaardigen bijnaam van Jodenaquarium.”

Kort daarop dook er een spotgedicht op. „Het is een zonderling maar waar feit dat verreweg de meeste bezoekers [van Zandvoort] Israëlieten zijn”, schreef een krant in september 1881. „Een zoogenaamde grappenmaker vond er aanleiding door om te dichten: De schoone zee, o groote Goden! / Is thans ’t aquarium der Joden! / Wat eertijds zuiver water was, / Is nu een groote vlooien-plas!”

Een zogenaamde grappenmaker: men was een beetje voorzichtig, maar meldde het wel. Daardoor verbreidde de bijnaam zich snel. „Een spotvogel heeft Zandvoort het ‘Joden-aquarium’ genoemd”, berichtte een krant op 26 september 1881, „en die betiteling is zoo aardig gevonden, dat zij in een korten tijd door het geheele land bekend is geworden.”

Van het gedichtje waren al snel varianten in omloop. Een daarvan werd in het tafelblad van een Zandvoorts ‘kur-hôtel’ gegrift. De tekst luidde: „We hebben hier, o groote Goden! / Een rijk aquarium van Joden, / De zee, die vroeger helder was, / Is thans één groote modderplas!”

De joodse badgasten kwamen niet alleen uit Nederland, maar ook uit het buitenland. „Zandvoort”, schreef een krant in augustus 1914, „is de Jodenbadplaats bij uitnemendheid; het krioelt er in deze dagen van binnen- en buitenlandsche Joden, en vooral de Amsterdamsche Salomons en Rachels meenen een soort recht op deze plaats te hebben.”

In 1927 bestelden enkele joodse badgasten bij een strandtent in Scheveningen een drankje, maar in plaats daarvan kregen zij een vel papier met een 40-regelige versie van het gedicht ‘Jodenaquarium’, vol „hatelijkheden, beleedigingen en schimpscheuten”. Plus de mededeling: „Aan jodenschorum tap ik niet”. Dit leidde een paar keer tot „opstootjes”, de politie moest eraan te pas komen en de rust keerde pas weer nadat de pachter van de strandtent zijn excuses had aangeboden.

Het woord jodenaquarium bleef tot aan het begin van de Tweede Wereldoorlog in omloop. In NSB-kranten werd het een paar maal figuurlijk gebruikt voor ‘een door joden gedomineerde organisatie’. Zo zou de AVRO volgens de NSB „één groot jodenaquarium” zijn, net als de Bioscoopbond.

Na de eerste razzia’s in 1941 plaatste het NSB-weekblad Volk en Vaderland onder het kopje ‘Zandvoort’, deze advertentie: „Het Joden-aquarium is opgedoekt; / Denkt er om, dat U ons thans bezoekt.”