Is 70 procent van de klas niet-westers?

Dat is de situatie in Rotterdam, zei oud-directeur Hans Waege van het Rotterdams Philharmonisch orkest in NRC Handelsblad.

De aanleiding

Wat moet het Rotterdams Philharmonisch Orkest doen om volle zalen te trekken? Het orkest mag dan volgens critici tot de beste van Nederland behoren, toch heeft het moeite de eigen zaal De Doelen vol te krijgen. In een interview in NRC Handelsblad (4 juni) gaf voormalig orkestdirecteur Hans Waege advies aan zijn opvolger. Wil je in een stad als Rotterdam relevant blijven, dan moet je inspelen op de samenstelling van de bevolking. En dus ook mensen van verschillende etnische achtergronden aanspreken.

Hard nodig, volgens Waege: „In het Rotterdamse onderwijs heeft 70 procent van de kinderen een niet-westerse achtergrond.” Dat checken we.

Waar is het op gebaseerd?

Waege zegt op korte termijn niet mee te kunnen werken aan de factcheck. Hij zegt de cijfers wel ergens te hebben, maar weet zo gauw niet waar.

En, klopt het?

Eerst moeten we de vraag beantwoorden wat onder ‘niet-westers’ wordt verstaan. De gangbare definitie die de overheid hanteert is als volgt. Een niet-westerse allochtoon heeft ten minste één ouder uit één van de landen in Afrika, Latijns-Amerika, Azië of Turkije. Mensen die twee ouders hebben uit westerse landen (van wie één ouder niet uit Nederland komt) worden westerse allochtonen genoemd. Op grond van hun sociaal-economische en sociaal-culturele positie worden ook allochtonen uit Indonesië en Japan tot westerse allochtonen gerekend.

Omdat Waege het over ‘kinderen’ heeft, gaan we uit van het basis- en voortgezet onderwijs. Bevestigt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) het percentage?

Nou, nee. In schooljaar 2014-2015 kregen in Rotterdam 52.171 kinderen basisonderwijs. Van 0,4 procent was de herkomst onbekend. 10,3 procent was westers allochtoon. 41 procent was autochtoon. En 48,3 procent niet-westers allochtoon.

In het voortgezet onderwijs waren er 34.512 leerlingen. Van hen was 48 procent autochtoon, en 43 procent niet-westers allochtoon. Het verschil met het basisonderwijs is te verklaren doordat het gemiddelde opleidingsniveau onder autochtonen hoger ligt, en zij dus iets langer naar school gaan.

Tellen we de leerlingen van het basis- en voortgezet onderwijs bij elkaar op (86.683), dan kunnen we concluderen dat ongeveer 46 procent van de leerlingen in Rotterdam niet-westers allochtoon is.

Lang geen 70 procent dus. Toch valt er wel iets op af te dingen. Zo zijn er bijvoorbeeld kinderen die etnisch Turks én autochtoon zijn, omdat beide ouders in Nederland zijn geboren. De definitie zoals eerder beschreven is echter wijdverbreid.

En dan nog dit: Rotterdam heeft met 37 procent het hoogste percentage niet-westerse allochtonen. Amsterdam ontloopt dat met 35 procent nauwelijks. Toch lijkt Amsterdam veel minder last te hebben van het ‘bezettingsprobleem’: daar worden aanzienlijk meer klassieke concerten gehouden.

Voor de slecht gevulde zaal kunnen beter andere verklaringen worden gezocht dan de bevolkingssamenstelling langs etnische lijnen. Zo is er een veel groter verschil tussen Amsterdam en Rotterdam waar te nemen in opleidingsniveau. Is in Rotterdam nog niet een derde van de inwoners tussen 15 en 65 jaar hoger opgeleid, in Amsterdam geldt dat voor om en nabij de helft.

Conclusie

Voormalig orkestdirecteur Hans Waege beweerde in deze krant dat 70 procent van de kinderen in het Rotterdamse onderwijs een niet-westerse achtergrond heeft. Als wordt uitgegaan van de gangbare definitie die ook het CBS hanteert, is dit 46 procent en dus aanzienlijk minder. Wij beoordelen deze stelling als onwaar.