Hij was een cultheld

Ik weet nog goed hoe hard ik moest lachen toen ik hem voor het eerst hoorde – in 1973, toen hij een hit had met Veerpont, een nummer dat eindigde met de wanhopige kreten van een veerman die zijn pont eerst met mensen en daarna met water ziet vollopen. Een jaar later was de zwaarbebrilde man-in-pak zelfs bij TopPop, om zijn nieuwe single Dodenrit van een grotere bekendheid te voorzien. Met alleen een berenmuts als rekwisiet playbackte hij zich droogkomisch door de zestien coupletten van zijn opzwepende kozakkenpolka heen, onderwijl met behulp van Slavische handgebaren de tekst kracht bijzettend.

Veerpont en Dodenrit werden er alleen maar beter op naarmate ik de subtiliteiten in de teksten (de woordspelingen, de ironie, de kwartjesfilosofie, het absurdisme) beter leerde begrijpen. En er bleken nog meer geniale liedjes van de Doctorandus te zijn: Zusters Karamazov, met het meezingbare refrein over de kanarie; Oost-Groningen, waar alles behalve één ding met strokarton gaat; en De Commensaal, met de slotregel ‘Zo’n juffrouw hoort in het kanaal, maar niet bij ons in ’t trapportaal’. Op mijn middelbare school werd Drs. P een cultheld die zich kon meten met Monty Python, Barend Servet en Het Simplistisch Verbond.

Dat veranderde niet in mijn studententijd, want P slaagde erin om telkens weer nieuwe hoogtepunten aan zijn oeuvre toe te voegen. Vooral met het Tuindersliedboek (1983), waarin onmogelijk gerijmde coupletten (‘Passion fruit/ U moest eens weten welk een felle gloed/ Zelfs ook nog in philatelisten woedt/ Na het gebruik van passion fruit’) werden afgewisseld met droeve liefdesliederen (‘Bieten/ Spreken tot mij van verloren geluk’) en compassievolle melancholie (‘Andijvie... inspirerend is ze niet’). Twee keer zag ik een zinderend concert van Drs. P in het Amsterdamse Vondelpark, waarbij hij het publiek feilloos leidde in een beurtzang van zijn groentegospel Knolraap en lof, schorseneren en prei.

Als literair redacteur van NRC Handelsblad interviewde ik Drs. P eind jaren negentig over zijn invloed op de Nederlandse taal en letterkunde. De reëel bestaande Heinz Polzer was zoals hij zich in zijn liedjes voordeed: ouderwets, beschaafd, ironisch en taalbewust; een grijze eminentie die het horecapersoneel aansprak met een alliteratie en een onverwachte nevenschikking („Mag ik van u een koffie en een kapstok”) en die terugverlangde naar de ‘oude taal’ van vóór Gorter, de onverlaat die het gewaagd had om ‘hongerig’ te rijmen op ‘verlangerig’.

Aan zijn muzikale prestaties maakte P weinig woorden vuil. Ten onrechte, want hoe simpel hij ook componeerde, hij was van alle markten thuis en hij maakte zeker een dozijn immergroene melodieën. Tussen de vijfhonderd favoriete liedjes die ik bij me draag op mijn iPhone staan er vier van Drs. P: Sneker Café, Dodenrit, Sla en Andijvie. Die kunnen een leven mee.

Pieter Steinz (1963) was lange tijd literair redacteur van NRC.