Hij was de vormvastste dichter van Nederland

Drs. P was een romantisch taalvirtuoos. Hij speelde met taal alsof het een viool was en staat in een eeuwenlange traditie van humoristische dichters. „Dat komt ongedrankeld van de twijf.”

Foto Andreas Terlaak
Foto Andreas Terlaak Foto Andreas Terlaak

Ruim dertig jaar geleden kwam Drs. P bij mij op kraamvisite. Hij had een prachtig oud poëziealbum bij zich en daarin had hij een vers op mijn dochtertje geschreven in een strak rijmschema: aba/bcb/cdc/dad. De beginletters van elke regel vormden samen de naam van het wichtje. Ik twijfel er niet aan of hij maakte een dergelijk acrostichon voor iedere vriend die een kind kreeg. Hij overhandigde mij het album met die innemende verlegen glimlach die hij reserveerde voor vrouwen.

Heinz Polzer was wel niet in de negentiende eeuw geboren, maar in alles maakte hij de indruk een negentiende-eeuwer te zijn. Zijn virtuoos taalgebruik, zijn verzorgde uiterlijk, zijn galanterieën, alles werkte daaraan mee. Als hij ergens een afspraak had om vier uur, dan wachtte hij met aanbellen tot het exact vier uur was, en drukte dan op de knop.

Hij was een groot bewonderaar en kenner van de negentiende-eeuwse verskunst. Zo maakte hij een bundeltje met antwoorden op de befaamde weemoedige gedichten van Piet Paaltjens. In het gedicht Aan Rika spreekt Paaltjens de wens uit samen met Rika verplet te worden door een sneltrein, om zo met haar verenigd te zijn. Het antwoord van Drs. P schrijft hij namens Rika aan de dichter: „Met u verplet te worden door een trein?/ Ik hoop, dat uw dolzinnigheid bedaart/ Door sober leven, goede medicijn/ En ook wat minder dichten uiteraard.”

Dat advies van Rika om minder te dichten was aan hem niet besteed. Integendeel, zijn oeuvre is enorm uitgebreid. Het is onmiskenbaar dat hij daarbij geïnspireerd werd door de negentiende-eeuwse humoristische dichters. De Schoolmeester bijvoorbeeld, schreef een parodie op de Romeinse geschiedenis waarin hij de hele santekraam van Romeinse helden en goden bespotte. Hij schreef dat in de vorm van een les voor de jeugd. Datzelfde doet Drs. P in zijn gedicht Lucrezia: „Indien er uit de diepten der historie/ Nog iets van wijsheid op te delven valt/ Dan is het wel de les memento mori/ Een spreuk die dikwijls ons plezier vergalt.”

Drs. P staat in een lange traditie van humoristische dichters in de Nederlandse literatuur, die vaak niet de waardering kregen die ze verdienden. Zodra een dichter grappig is, oordeelt men al gauw dat de inhoud dan wel niet zo belangwekkend zal zijn. Dat geldt ook voor virtuositeit: wie jongleert met de taal zal dat wel doen om aandacht te trekken, maar voor een diepzinnig dichter zal men hem niet houden. Dat gold al voor een zeventiende-eeuwse dichter als Gerbrand Bredero die pas in de twintigste eeuw bij de canon ging horen. Ook het vrolijk werk van Constantijn Huygens en P.C. Hooft kreeg altijd veel minder aandacht dan hun serieuze sonnetten.

In de negentiende eeuw is er een opleving in de waardering voor humoristen. De humoristische dichtkunst is zo populair dat men van een ‘humorcultus’ is gaan spreken. Piet Paaltjens, Nicolaas Beets, De Schoolmeester (Gerrit van de Linde) en Peter de Génestet zijn er de bekendste beoefenaars van in Nederland. De techniek van deze dichters is verbluffend. Ze draaien hun hand niet om voor lange reeksen van dezelfde rijmwoorden, voor dubbele rijmen binnen een regel, voor grappen met letterlijk en figuurlijk taalgebruik, voor typografische spelletjes, en passen die toe in de meest ingewikkelde rijmschema’s. Om maar een paar voorbeelden te geven: De Schoolmeester schrijft: „slaat gij geenszins VIII/ op mijn jammerklVIII?.” Piet Paaltjens laat een verdronken dichter zeggen dat Friesland verbasterd is „tot op de bodem der zee”. De Génestet hanteert de ottava rima (achtregelige strofen) in De Sint-Nikolaasavond.

Drs. P schreef een handboek voor versvormen waarin hij van elke vorm die hij behandelt een voorbeeld maakt, ook dus van de ottava rima. Typografische grappen past hij bijvoorbeeld toe in Een goed gesprek, waarin hij geregeld een regel wit laat vallen, om het stokken van het gesprek weer te geven. Hij is net als De Schoolmeester een kei in lange rijmreeksen. In een gedicht over drankzucht houdt hij 23 regels lang een eindrijm op ‘–ank’ vol, tot de dichter in de 24ste regel bezwijkt aan de drank: „Ik zie geen sprankje hoop meer, ja niet eens een hoopje sprank/ En uit mijn geelkat komt nog slechts een kloeierige brank/ En dat komt ongedrankeld van de twijf.”

In de twintigste eeuw zijn de humoristische dichters weer terug bij af. Ze vallen weer in de categorie van leuk-maar-je-kunt-er-niet-mee-voor-de-dag-komen oftewel lightverse. Zo kregen Kees Stip, J.W.F. Werumeus Buningh en C. Buddingh’ geen grote prijzen, werden ze alleen geciteerd op vrolijke avondjes en kwamen ze niet in canonlijsten terecht. Datzelfde overkwam Drs. P. Ook al speelt hij met de Nederlandse taal als ware die een viool en hijzelf Paganini, hij is altijd en ten onrechte in de marge van de letterkunde gebleven. De enige literaire prijs die hij ontving was de Tollens-prijs, weliswaar de oudste literaire prijs van Nederland, maar toch maar een hele kleine. En toch: wie overtreft de schrijnende eenvoud van een paar regels als deze: „De eerste sneeuw zal komen voor ons allen/ Maar ach… waar is de sneeuw van vorig jaar?”