Een dagje uit bij de vluchtelingen

Open huis in de asielzoekerscentra. Toch ongemakkelijk, in je zomerhempje asielzoekers kijken.

Foto’s Merlin Daleman

Het is mooi weer voor een uitstapje naar het asielzoekerscentrum. Gerrie de Leeuw is met haar man en kleindochter Puck (10) komen fietsen. „We komen hier dikwijls langs. Nu kunnen we een keer binnen kijken.”

De asielzoekerscentra in Nederland hadden afgelopen weekend een open dag. Iedereen die wilde weten hoe de vluchtelingen in Nederland worden opgevangen, kon dat zelf gaan zien.

Het asielzoekerscentrum (azc) Prinsenbosch in Gilze is sinds 1993 gevestigd op een voormalig luchtmachtterrein. De gebouwen zijn nu in gebruik als wooneenheden en kantoren. Het is een groot centrum, er kunnen 1.200 mensen wonen. Het heeft wel iets weg van een vakantiepark in de bossen. In het midden is een voetbalveld, er zijn speeltuintjes, een houtbewerkingsplaats en een keramiekatelier.

In de gebouwen zijn de kamers klein en sober: stapelbedden staan dicht op elkaar, een kast, een tafel en een stoel. Gerrie de Leeuw: „Dan besef je dat je zelf in een viersterrenhotel woont.” Kleindochter Puck vindt het wel netter dan verwacht.

De asielzoekers doen hun best. Mannen dansen folkloristisch op het centrale plein, de armen om elkaars schouders. Het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), verantwoordelijk voor de huisvesting van de asielzoekers, heeft een suikerspinkraam en popcornkarretje geregeld. Kinderen worden geschminkt en springen op het luchtkussen.

Toch heeft het ook iets ongemakkelijks, de bezoekers die in hun zomerhempjes over de paden wandelen en naar de asielzoekers kijken. „Omdat ik een master culturele antropologie volg, vind ik het interessant om hier te zijn, zegt Marleen van Oortmerssen (23) uit Utrecht. Samen met haar moeder bezoekt ze de basisschool op het azc – het schooltje waar sommige kinderen jaren en andere een paar weken heengaan. De secretaresse van de school zegt dat de kinderen ontzettend graag komen. „Ze hebben verder weinig te doen.”

Drik van Gestel is conciërge op het schooltje. Hij vindt de open dag een mooie gelegenheid zijn moeder te laten zien waar hij werkt. Zijn vrouw en zwager zijn ook mee. Van Gestel heeft 35 jaar in de bouw gewerkt, maar werd deels afgekeurd vanwege zijn knieën. Hij had niet echt een idee bij asielzoekers. Nu hij op het azc werkt, weet hij wat ze hebben meegemaakt. Hij vertelt over de sportdag voor de kinderen. Die was vlakbij vliegbasis Gilze-Rijen en net op die dag hielden ze een oefening met losse flodders. „Die kinderen! Doodsbang waren ze. Ze kropen allemaal weg. Dat komt door de ellende in hun thuisland.”

Ander voorbeeld. Een twaalfjarig meisje van zijn school mag niet in Nederland blijven. Ze spreekt vloeiend Nederlands. Van Gestel: „Vroeger had ik gedacht: dat zal dan wel kloppen. Sinds ik hier werk, denk ik: daar klopt helemaal niks van.”

Met haar moeder volgt Marleen van Oortmerssen een rondleiding in één van de gebouwen waar asielzoekers na hun aanmelding in Ter Apel terechtkomen. Binnen laat een medewerker van het azc zien waar de bewoners hun eten kunnen opwarmen in magnetrons. Koken gaat hier niet. De asielzoekers krijgen een plastic bak die ze kunnen vullen in het restaurant even verderop. De slaapkamers zijn erg klein, vindt Marleen. „We houden ons aan de wettelijke normen zoals de overheid die vast heeft gesteld”, zegt de medewerker.

De meeste asielzoekers spreken onvoldoende Nederlands of Engels om te kunnen uitleggen hoe zij het nou vinden, zo’n open dag. Een groepje vrouwen uit Ethiopië en Eritrea giechelt: „Nice here”, zegt een van hen. „People friendly.”

Uitzondering zijn de Syrische asielzoekers. Nabeek (29) en Mohammad spreken prima Engels en willen graag met de bezoekers in gesprek. Ze willen liever niet met hun achternaam in de krant. Een paar maanden geleden zijn ze uit Syrië gevlucht, en beiden willen zo snel mogelijk hun vrouw over laten komen. Ze hadden geen rekening gehouden met de taaie bureaucratie rond visa. Elke dag op het centrum vinden ze er een te veel. Bovendien is er niets te doen. „Nog geen taalcursus”, zegt Nabeek

Nabeek is ingenieur, Mohammad tandarts. Mohammad: „We willen graag een intensieve taalcursus doen op de universiteit. We willen zo snel mogelijk verder met ons leven.”