De flexwerker is een pover antwoord op de globalisering

Hoe goedkoop moet de Nederlandse werknemer worden? Het antwoord op die vraag speelt een belangrijke rol bij een breed palet aan vraagstukken van dit moment. Globalisering brengt de Nederlandse werknemer in directie concurrentie met zijn of haar collega’s in verre buitenlanden. Automatisering drijft de competitie tussen mens en machine naar een nieuw hoogtepunt.

De kwestie komt in wezen neer op de hoogte en ontwikkeling van de ‘loonkosten per eenheid product’ (of dienst). Die zijn op twee manieren in de hand te houden: het verlagen van de kosten van een werknemer of het verhogen van diens productiviteit. De voorlopige plannen voor het nieuwe belastingstelsel beogen bijvoorbeeld het verlagen van de loonbelasting. Meer mag worden verwacht van het verhogen van de productiviteit. Onderwijs en scholing liggen daarbij voor de hand. Maar vooral flexibilisering komt op: de werknemer wordt alleen ingezet als hij of zij nodig is.

Dit proces is in een stroomversnelling. Het leger aan zelfstandigen is inmiddels gegroeid tot 800.00 mensen. Als payrollcontracten en andere flexibele vormen worden meegeteld, gaat het om een veelvoud. Niet alleen bij bedrijven, maar ook bij overheidsinstellingen.

De Flexwet van minister Asscher (Sociale Zaken), die volgende maand in werking treedt, is in wezen bedoeld als een brug tussen vast en flexibel werk: minder zekerheid voor de vaste werknemer, meer voor de flexwerker. De voorlopige tekenen wijzen er echter op dat, in de praktijk, werkgevers vooral de uitholling van het vaste dienstverband aangrijpen. Flexibilisering heeft grenzen. PostNL liet, na zware kritiek, vorige week weten in gesprek te gaan over de status van haar contingent van (schijn-)zelfstandigen.

Werkgevers valt weinig te verwijten. Hun blik is beperkt en zij doen wat het beste is voor hun bedrijf of instelling. Maar niet iedereen kan zichzelf even goed redden als de bedoeling is van degene die voor hem beslist, of dat nu een werk- of een wetgever is. Bovendien: niet langer is alleen de onderkant van de arbeidsmarkt kwetsbaar, ook de middenklasse komt aan de beurt.

Er is een uitruil tussen economische flexibiliteit en maatschappelijke stabiliteit, tussen welvaart en welbevinden. Het vinden van het juiste evenwicht is in het belang van economie én samenleving. Een overmaat aan flexibiliteit is daarbij in wezen een povere oplossing. De echte remedie ligt bij de daadwerkelijke productiviteit: door betere scholing en bovenal door ondernemerschap dat het bedrijfsleven telkens een stap hoger helpt op de piramide van de internationale arbeidsverdeling. Voor dat laatste is in de huidige discussie veel te weinig aandacht.