Zo leuk is dat niet, een dubbele achternaam. Kijk maar in de krant

Stéphane Alonso Casale. Zo heb ik niet altijd geheten. De ambtenaar in Parijs die in 1973 mijn geboorteakte opstelde, had geen boodschap aan dat mooie Spaanse gebruik, waarbij je achternaam een samenstelling is van die van je ouders. Mijn Spaanse vader: Alonso Hernández, mijn Franse moeder: Casale. Ik: Alonso Casale. Prima toch? Niet in Frankrijk. Het werd enkelvoud Alonso.

Dat veranderde in 1991. Ik was 18, woonde al 17 jaar in Nederland en besloot mijn Franse paspoort om te ruilen voor een Nederlands exemplaar. In een formeel aan Hare Majesteit gerichte brief lichtte ik mijn naturalisatiewens toe en vroeg ik ook maar meteen toestemming om alsnog een dubbele achternaam te mogen dragen. Dat mocht. Zo kreeg ik de Casale erbij.

Dat veranderde weer in 1999, toen ik bij deze krant ging werken. Stéphane Alonso Casale was te lang, kreeg ik van de toenmalige buitenlandchef te horen. Het paste niet boven een krantenkolom en moest daardoor erg worden ‘geknepen’ of over twee regels. Lelijk. „Je hebt een nom de guerre nodig”, zei mijn chef. „Waarom geen … Stéphane Alonso?” Zo raakte ik de Casale weer kwijt, in de krant althans.

In 2003 verhuisde ik naar Warschau, als correspondent. Daar werd ook onze zoon geboren, een kleine Alonso …. tja, wat eigenlijk?

De Poolse ambtenaar had niets tegen dubbele achternamen, oef, maar wilde, zucht, niets horen over Spaanse tradities. „In Polen heb je de achternaam van de vader en ik lees hier toch echt: Alonso Casale.” Ja maar, sputterde ik nog tegen, dat zijn de achternamen van míjn ouders, van zijn grootouders dus. Mijn familie ziet me al aankomen!

Het mocht niet baten. Dankzij de volharding van een Poolse klerk werd, en is, mijn zoon een Alonso Casale.

Wat hij later wil worden, zoekt hijzelf maar uit. Ik ben het nu wel een beetje beu.