Zeventig

Iedere ochtend kijk ik in het gezicht van Eddy Merckx. Gebeiteld door fotograaf Stephan Vanfleteren, in een replica van zijn eerste gele trui onder glas. Ik ken geen hoofd dat zo perfect samenvalt met de grinta van een wielerkampioen. En ook geen fluwelen ogen die zo schril in contrast staan met rotsige jukbeenderen. Kijk in het gezicht van de kannibaal, en je hebt de planeet.

In de week die komt wordt Merckx zeventig. Hij wil er liever niet aan herinnerd worden, maar Belgische kranten zijn volop in de weer met speciale katernen en edities. Nu het nog kan, zal hij massaal geëerd en gevierd worden, zij het in zijn afwezigheid. Op zijn verjaardag prikt Eddy een vorkje met intimi in Monaco. Het mag een stukje foie gras met bloedworst zijn, zoals deze week bij onze lunch in Brussel. De exquise Barolo was ook zijn keuze.

Zijn atletische vermogen is quasi ongerept. Alleen klaagt hij over rugpijnen die in zijn laatste jaren als renner ook al opdoken, vooral na de dramatische val op de wielerpiste van Blois in 1969. Zijn gangmaker verloor toen het leven. Verder geen slijtage: „Coureurs worden eerder oud in hun hoofd dan in hun benen.”

Vandaag is de beste renner ooit een adequate beheerder van een groots verleden. In 1969, nog voor de mens een voet op de maan had gezet, schreef de Brusselse middenstandszoon geschiedenis tussen Louchon en Mourenx-Ville-Nouvelle. In een demonstratie van gewichtloosheid vermaalde hij de flanken van de Peyresourde, Aspin, Tourmalet en Aubisque. Het was bloedheet die dag, zo heet dat de banden aan het asfalt bleven plakken. Niks aan de hand: Pingeon kwam 16 minuten later over de streep, Poulidor 20 en Gimondi 24. Eindelijk weer een Belg die de Tour zou winnen.

De nationale gekte die vandaag rond de Rode Duivels is ontstaan, is een kinderfeestje vergeleken met de hype waarmee Eddy Merckx het hele land opschudde. Een nog blozende jongeling gekatapulteerd naar de emotionele hoogte die koning Boudewijn later bij zijn verscheiden te beurt zou vallen. De verwantschap met ce roi triste had trouwens iets fysiek: noem het mystieke weemoed.

De mystiek is weg, de weemoed is gebleven. In al zijn vrolijkheid vallen nog steeds stiltes en afgewende blikken in vrieskou. Als hij spreekt over het gemis van zijn zoon Axel die in Canada verblijft, of over zijn vader die dag en nacht krom heeft gelegen als kleine kruidenier. Hij ziet hem nog steeds lopen naar de vroegmarkt met groentebakken op de schouders, zegt hij. Samen met de woorden schuift een scheut droefheid tussen zijn schouderbladen.

Tranen hebben altijd al dicht onder de huid van Eddy Merckx gelegen. Minder op podia dan in zijn betrokkenheid met de hinkende mens, met de Damiaanactie en aanverwante initiatieven van mededogen. Nog steeds kan hij jaarlijks tien keer de wereld rondvliegen om acte de présence te geven op een of ander humanitair podium. De frontsoldaat in de koers is ontbladerd tot een ronselaar in goedertierenheid. En altijd met vochtige ogen.

Vijf keer de Tour gewonnen, zeven keer Milaan-Sanremo, drie wereldtitels, uurrecord, en ook nog blakend van levensvreugde zeventig worden – God woont om de hoek.

Filosoferend over het huidige wielrennen knarst hij op zijn afkeer voor de piekgeneratie. „Renner hoor je te zijn van het voorjaar tot de nazomer. Voor de status van seizoenarbeider heb ik altijd bedankt. Dan ken je jezelf een premie voor gebrek aan beroepsliefde toe.”

Merckx en zijn fiets: zelfs Sjostakovitsj kan het wonder niet na-componeren.