Wegdromen op het toilet als de walvisgids over ijsberen verhaalt

IJsberen gedragen zich steeds meer als bruine beren, bijvoorbeeld in Canada. Ze leven in ijsvrije gebieden en eten bessen, eieren, knollen en knaagdieren. Dat is wat anders dan de jacht op zeehonden op het ijs, waarin de ijsbeer zo uitblinkt. Dit opmerkelijke detail staat in De poolgebieden voor in bed, op het toilet of in bad van Nienke Beintema (1977). Het boek is een onderdeel van een educatieve wetenschappelijke reeks voor jongeren. Onlangs verscheen ook Voortplanting, een vrolijke verhandeling over seks en alles wat ermee samenhangt door Stephan van Duin.

Terug naar de poolgebieden, die trouwens voor voortplanting van groot belang zijn. Beintema beschrijft dat treffend in het hoofdstuk over brandganzen die in Nederland overwinteren, maar hoog in het poolgebied broeden. Een reis met gevaren, maar de voordelen wegen daartegen op: in de broedtijd is er overdaad aan vers gras.

In De poolgebieden reist Beintema dwars door het noord- en zuidpoolgebied. Ze is bioloog, wetenschapsjournalist (onder meer voor NRC), natuur- en walvisgids. Met kano en rugzak trok ze door Alaska en Scandinavië.

Haar persoonlijke avonturen vormen de inspiratiebron voor geanimeerd geschreven, korte hoofdstukken over zo’n beetje alles wat met de polen heeft te maken. Waarom wel ijsberen aan de noordpool en niet in het zuidpoolgebied, bijvoorbeeld. En pinguïns die alleen op Antarctica voorkomen. Ook zet ze treffend uiteen dat er een belangrijk verschil bestaat tussen de bevroren oceaan met land eromheen, waaruit het noordpoolgebied bestaat, en het stuk aardkorst dat Antarctica is.

In tal van boeken over het noordpoolgebied kom je tegen dat het noordpoolijs voortdurend in beweging is. Beintema legt dat zo beeldend uit, dat je het niet meer vergeet. Het is een kwestie van bovenste zeestromen die de daaronder gelegen zeestromen beïnvloeden enzovoort. Hierdoor ontstaat een werveling waardoor het ijs juist van de pool wegdraait in plaats van erheen. Voor arctische reizigers onderweg naar de Noordpool is dat tergend. Die beweeglijkheid van het ijs zet Beintema neer in een mooi zinnetje: „Stel dat de kerstman precies op de noordpool zou willen wonen, dan zou hij een mobiel huis nodig hebben.”

Het boek is alfabetisch van opzet, zodat we heen en weer springen tussen de oorspronkelijke bewoners, de Inuit, en beroemde ontdekkingsreizigers met hun onderlinge competitie als Nansen, Shackleton en Amundsen. Het gaat van ontdekking van de polen tot aan hedendaagse klimaatopwarming, van de kleinste insekten en beerdiertjes tot aan reusachtige walvissen.

Er is een superinteressant verhaal dat ik mis, over de noordwestelijke doorvaart vanuit Noord-Amerika. Onze eigen noordoostelijke doorvaart met de overwintering op Nova Zembla komt uitvoerig aan bod maar de zoektocht naar de noordwestpassage is beslist even spannend. Levensgevaarlijke mist bemoeilijkte keer op keer het vinden van de juiste route tussen een wirwar van eilanden en rotspunten. Daar schreef Jonathan Raban een meesterlijk boek over, Een zeereis naar Alaska (Passage to Juneau, 1999). Volgens Raban vonden de zeelieden de weg door op scheepshoorns te blazen en aan de weerkaatsing te horen waar er wel en waar geen rotsen waren.

Mist komt beslist voor in de arctische gebieden, al denken we meestal aan pure sneeuwwitheid. Terecht schrijft Beintema dat de Noordkaap helemaal niet zo aantrekkelijk is als noordelijkste punt van Europa. Daar mist het altijd.