Van Hiroshima naar Little Pony

Joyce Roodnat

Het Holland Festival speelt buiten. Hatsune Miku. Tokyo Story. Vassiliki Papageorgiou.

Goed. Ik slenter naar de glazen draaideur van de Stopera. Voor wie niet in Amsterdam bekend is: dat is dat uitgestrekte gebouw van beton en rosbiefroze marmer aan de Amstel waarin Stadhuis en Opera gecombineerd zijn. Op de passage ernaartoe waait het altijd. Nu ook. Het is mooi weer, maar iedereen flappert.

En iedereen heeft blauw haar.

Nu ja, iedereen… Dat is overdreven. Maar ik verbeeld het me niet. Ik zie ladingen meiden met grote nylon pruiken, wit en abrikooskleurig, maar de meeste zijn turquoise als de South Pacific. Jongens spoten hun eigen haar in die kleur. Lolita style uitgedost pompt dit publiek de Stopera vol subcultuur. Dit zijn de fans van Hatsune Miku, uitgelopen voor de popopera The End die speciaal voor haar werd geschreven. Hatsune Miku is een Japanse superster, met miljoenenaanhang over de hele wereld. Ze bestaat niet. Ze is een computerprogramma. Een open source- internetfenomeen. Treedt ze op, dan is ze een hologram.

Maar in de Stopera, in de hal, op de trappen, in de foyer, bestaat ze wél. Iederéén is hier Hatsune Miku, iedereen is deel van dit evenement. Ik ook, al heb ik geen blauwe pruik. En ook de twee zwaarlijvige jongens, die zo te zien doorgaans tussen de beschimmelde pizzadozen achter hun laptop zitten. Waar ze Hatsune Miku volgen. Dit concert is totaaltheater, binnen en buiten de zaal en met inbegrip van het publiek.

Hier is het Holland Festival voor. Het programmeert The End, en parbleu, daar is het jonge publiek dat minister Bussemaker (zie haar cultuurbrief ‘Ruimte voor cultuur’) zo graag wil winnen voor creativiteit en cultuur – en ik met haar, want kunst verruimt de geest op een manier waar geen dope tegenop kan.

Op de donderende klanken van Keiichiro Shibuya’s electronische muziek snelt Hatsune Miku gigantisch over het podium. Erotisch als Little Pony. Seksualiteit speelt geen rol, dit gaat over sterfelijkheidsbesef, doodswens en teen angst. Aangespoord door een reusachtig wit Pokémonkonijn wisselt ze van plaats met haar spiegelbeeld. Alice in helleland, ze heeft geen keus.

De oranje vlammen en verkrampte zwarte ledematen echoën de atoombom op Hiroshima. Dat oorlogstrauma resoneert in veel Japanse kunst, ook nu nog en natuurlijk ook in de film Tokyo Story. Meesterwerk uit 1953 van Yasujiro Ozu en opnieuw uitgebracht (en iedereen zou ’m moeten gaan zien, want deze film is zo mooi. Ozu is trouwens de held van filmgenieën als Martin Scorsese). Niet dat iemand het in Tokyo Story over Hirosjima heeft. Maar het besef is levensgroot.

Iedereen in dit familieverhaal is bedrukt. Intimiteit is onmogelijk, want iedereen kijkt naar beneden. Iedereen in ál Ozu’s films kijkt naar beneden, wat extra opvalt doordat hij met zijn consequent laag geplaatste camera juist inspeelt op die neergeslagen blikken. Op het station van Tokio neemt men afscheid. Beleefd, bescheiden, afstandelijk. Op de achtergrond hangt een bord met zwarte letters. Niks bijzonders, zulke borden horen bij stations. Maar let op, kijk goed en je leest: „Hiroshima”.

Podium Mozaïek is een buurttheater in Amsterdam-West. Geen voor de hand liggende plaats voor een Holland Festivalconcert. Maar dat is stilletjes de koers aan het verleggen, heb ik het idee. Het programmeren van het tieneridool Hatsune Miku is een aanwijzing. Hier naartoe verkassen ook. Het concert Van Byzantion tot Istanbul van de Turkse componist Selim Dogru gaat van start. Het swingt en kreunt en het publiek wil meedoen, maar de muziek biologeert zo dat meedeinen niet gaat. Ik val voor zangeres Vassiliki Papageorgiou: ze heeft een stem als een bos belletjes, en beweegt nadrukkelijk niet-uitbundig – danse surplace. Dat is uitzonderlijk, meestal pakken vocalisten uit met hun motoriek. Na afloop vraag ik haar er even naar. „Het zingen vraagt al mijn aandacht”, zegt ze. „Ik dans niet for fun, ik dans for music.” Ze is Grieks, ze komt uit Athene. Maar u zingt ook in het Turks. Klopt, de Griekse muziek is voor haar net zo vanzelfsprekend als de Turkse, ze loopt warm voor de traditionele klanken van allebei. „Ik ben een vierde generatie Turkse in Griekenland. Mijn overgrootouders zijn uit Izmir naar Griekenland gevlucht. In 1922, in de tijd van de ramp.” Ze bedoelt de Grieks-Turkse oorlog. Die klinkt nog door in haar stem, bijna honderd jaar later.

Ze signeert haar cd voor me: „For hope and freedom, Vassiliki”.