Moeras

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week een fragment uit de thriller Ultimatum van Daan en Thomas Heerma van Voss.

Op aswoensdag begon het gedenken, het vasten en het overpeinzen. Vandaag werd er gezondigd. Voor het Café du Monde stonden lange rijen; mannen en vrouwen uitgedost met boa’s, kleurrijke pruiken, eindeloos veel kralenkettingen. Iets verderop, in Bourbon Street, trokken toeristen en stedelingen over de natte straatstenen. Linten van rode lampjes en lampionnen hingen tussen de huizen, cocktails in groene bekers gingen van hand tot hand, vrouwen met ontbloot bovenlichaam lieten hun borsten aanraken in ruil voor absint. En toen de zoveelste hoosbui over de stad raasde, trok iedereen zich terug in cafés of schuilde onder een afdakje. Alle chaos die er in een mensenleven te vinden was, kwam hier samen, op deze ene avond. Mardi Gras, Vette Dinsdag, in New Orleans.

Het was iets over elven toen Nathalie Underwood, in een witte spijkerbroek en een wit hemdje met glitters op de schouders, zich langs een groepje studenten wrong, richting de bar van Café du Monde. Ze bestelde een Sazerac, extra bourbon. Toen ze een hand op haar schouder voelde, verstijfde ze en keek achterom.

Een paar seconden stonden ze, te midden van al dat geruis, roerloos tegenover elkaar, Nathalie en de man verkleed als skelet. Zwart textiel maskeerde zijn lichaam, de getekende botten waren fluorescerend wit. Om zijn nek hing een ketting van afgestreken lucifers. Langzaam trok hij zijn masker af.

Nathalie keek schichtig om zich heen, niemand besteedde aandacht aan hen. ‘Ik wist niet dat jij het was,’ zei ze.

‘Waar is jouw masker?’

‘Daar had ik geen zin in. Waarom wilde je hier afspreken?’

‘Ik wil je iets in de buurt laten zien. Een halfuurtje rijden, hooguit. Mijn auto staat in een zijstraat.’

Om hen heen klonk ‘When the Saints Go Marching In’, een zwalkende uitvoering.

‘Binnen een uur wil ik terug zijn,’ zei ze. ‘Ik wil zo min mogelijk missen.’

‘Je zult niets missen, dat beloof ik.’ Hij trok zijn masker weer over zijn hoofd, Nathalie liet haar Sazerac op de bar staan en nam van niemand afscheid.

Louisiana. Beekjes en rivieren kronkelen als opgezette aderen door de dalen, met op de achtergrond de fabriekstorens die dag en nacht roken. Akkers staan blank, riet groeit net zo lang tot de deining het doet knakken. En heel af en toe doorkruist een eenzame auto het landschap, als een vlieg die over een landkaart kruipt.

‘Kun je wel goed zien met dat masker op?’ vroeg ze.

‘Mijn ogen zijn vrij.’

Ze lieten de trillende stad achter zich, haar oren suisden toen ze de snelweg op reden. Na tien minuten sloegen ze af, ze kwamen vrijwel meteen op een plattelandsweggetje terecht. Nauwelijks nog lantaarnpalen, bladloze bomen.

‘Is dit een nieuwe auto?’

‘Geleend.’

‘Waar rijden we precies naartoe?’ Ze zette de radio aan: Fats Domino. Maar voor ze het liedje kon herkennen, draaide hij de knop weer om en was de stilte terug.

‘Je zei dat je me met rust zou laten,’ zei ze. ‘Dat herinner je je toch nog wel? En je weet neem ik aan ook dat chantage strafbaar is? Eigenlijk had ik je moeten aangeven.’

‘Kom, dat zou je nooit doen,’ zei hij. Zijn witte vingers omklemden het stuur. ‘Dan zou je veel te veel uit te leggen hebben, en jou kennende is dat wel het laatste wat je wilt.’

De auto kwam tot stilstand. Zonder iets te zeggen stapte hij uit en liep naar de kofferbak. Een penetrante moeraslucht kwam door het openstaande portier naar binnen. Ze wist niet waar ze was, ze wist alleen dat ze er nooit eerder was geweest.

‘Waar zijn we?’ Ze keek in de achteruitkijkspiegel en zag niets. Ze besloot uit te stappen. Hij kwam meteen naar haar toe en aaide over haar rug. Zijn rechterhand gleed zachtjes omlaag, tussen haar schouderbladen door, tot aan haar billen. Zijn linkerhand hield hij schuin achter zijn rug.

‘Wat doe je?’ Voorzichtig zette ze een stap bij hem vandaan.

Hij bewoog met haar mee, zijn hand bleef op haar billen rusten. Het enige licht kwam van zijn pak, de volle maan die precies boven hen leek te hangen en de felrode puntjes in het water – alligatorogen.

Zijn greep verstevigde.

Ze probeerde zich los te maken. ‘Waarom zijn we hier?’, vroeg ze. ‘Volgens mij gaat het bijna weer regenen.’ Ze keek omhoog, naar de donkere lucht, alsof ze haar bewering daarmee kracht kon bijzetten. ‘Laten we teruggaan.’

Toen zag ze het. In zijn linkerhand, een glinstering van metaal. Nog voor ze doorhad wat er precies gebeurde, draaide ze zich bij hem vandaan en begon te rennen – weg van de auto, ze moest het moeras doorkruisen om weer bij de snelweg terecht te komen.

Hij volgde haar meteen. Zijn stappen kwamen dof neer op de zompige aarde. Ze keek vluchtig achterom en probeerde in te schatten hoeveel meter voorsprong ze had. Maar ze zag alleen die lichtgevende gedaante in het donker, de botten van het pak.

Uit haar broekzak griste ze haar mobiele telefoon. Ze slaagde er niet in het toestel te ontgrendelen, en toen dat alsnog gelukt was, glipte het uit haar hand. Even twijfelde ze of ze moest bukken om het te zoeken, maar dat zou haar belangrijke seconden kosten.

Links en rechts van haar doken die felrode oogcirkels op. Ze holde verder, duwde takken opzij, haalde haar arm open. Hij riep. Een harde, schelle stem, die verschoot van kalmerend naar vijandig en weer terug. Ze verstond niets van wat hij zei, alleen haar naam drong tot haar door, galmend tussen de bomen en het water.

Niets terugroepen. Niet omkijken. Zo hard mogelijk rennen.

Hij besloot afstand te houden, het juiste moment af te wachten. Zijn conditie was goed genoeg en hij kende dit gebied. Ze was snel, maar wist niet waarheen ze rende. Ze keek achterom. Het gezicht dat gewoonlijk speelsheid verraadde leek verkrampt van angst. Hij voelde een golf van opwinding door zijn lichaam gaan en kneep in het lemmet.