Illustrator die zich graag door woorden liet ontbranden

Helemaal precies heeft hij het nooit uitgerekend, maar Kurt Löb moet in zijn lange carrière minstens honderd literaire boeken hebben geïllustreerd, van Gogol tot Flaubert, en van Tsjechov tot Tijl Uilenspiegel. Kort voor zijn dood was hij nog met Paul Abels van uitgeverij AFdH in gesprek over een bundel verhalen van Stefan Zweig, waarbij hij de tekeningen zou leveren. Tekenen ging de laatste jaren weliswaar niet meer, maar uit zijn bestaande werk kon hij meer dan genoeg passende prenten selecteren. Dat is er niet meer van gekomen; begin deze maand stierf hij, 89 jaar oud.

Als kind van „ouders met een grote boekenkast” raakte Löb al jong vertrouwd met literatuur en beeldende kunst. Op zijn dertiende vluchtte het gezin van Berlijn naar Amsterdam. Omdat zijn ouders „gemengd gehuwd” waren – vader was joods, moeder niet – kon hun zoon tijdens de bezetting aan de Rijksacademie studeren. Terwijl schoolgenoten als Corneille en Karel Appel begeesterd raakten door de nieuwe schilderstijlen, bleef Löb trouw aan de figuratie. Vaak werd zijn werk vergeleken met het barokke van de negentiende-eeuwse tekenaar Honoré Daumier, maar ook deed het soms denken aan de etsende Rembrandt. Behalve de illustraties nam hij desgewenst ook het bandontwerp en de typografie voor zijn rekening. Hij liet zich, zei hij in een tentoonstellingscatalogus, graag „ontbranden door de woorden van een auteur en zo tot een autonome schepping komen”.

In 1976 riep hij geërgerde reacties uit streng-feministische hoek op met zijn Wijvenboek, vol wellustige, Rubensiaanse vrouwenlijven in omstrengeling met veelal in verval verkerende mannengestalten. „Als hij over de schoonheid van vrouwen sprak”, aldus Paul Abels, „kon hij ondeugend uit de hoek komen”.

Naast zijn kunstenaarspraktijk werkte Löb als leraar aan de Academie in Den Bosch. In 1994 promoveerde hij op een studie over Duitse boekverzorgers in Nederland. Sindsdien ging hij zelf korte verhalen schrijven, die met eigen illustraties verschenen bij kleine uitgevers als De Republiek en AFdH. „Ik vond hem een typische Exil-man”, zegt Abels. „Iemand met een sterk Bildungs-ideaal. Verder was hij een erudiete, aimabele heer, maar ook dwars en eigenwijs als dat nodig was – iemand die duidelijk zei wat hij wel en niet goed vond”.

Ruim een halve eeuw woonde Löb met zijn gezin in Amsterdam-West. Tien jaar geleden vroeg de website Geheugen van West hem of het geen tijd werd met pensioen te gaan. „Ja, als ik dood ben”, antwoordde hij.