‘Ik hou van uitvinden’

Chris Kabel ontwerpt een 88 meter lange keramische bank voor een park in Leiden. Deel 2 in een serie gesprekken met spraakmakende ontwerpers.

Chris Kabel zit op een deel van zijn Wood Ring (2010), een cirkelvormige bank gemaakt uit een balk hout. Boven hem hangt Office Party (2014): door aan een touwtje te trekken verandert een kille tl-lamp in feestverlichting.
Chris Kabel zit op een deel van zijn Wood Ring (2010), een cirkelvormige bank gemaakt uit een balk hout. Boven hem hangt Office Party (2014): door aan een touwtje te trekken verandert een kille tl-lamp in feestverlichting.

Hoe zag uw ouderlijk huis eruit?

„Een eclectische mix met zowel biedermeier meubels als postmodernistische Italiaanse stoelen. Goed spul allemaal, geen nep. Maar mijn ouders – mijn moeder is kunsthistorica, mijn vader emeritus hoogleraar informatierecht – maakten eigenlijk geen echte keuzes. En dat werkte heel goed, ook omdat het huis vol boekenkasten stond. Die boekenzee, mijn moeder noemde het ‘literair behang’, hield de boel bij elkaar.”

Wanneer besefte u dat alles is ontworpen?

„Als kind maakte ik graag sinterklaassurprises. Mooie, grote dingen, waar ik lang aan werkte. Ik herinner me nog een grote, transparante diamant voor een edelsmid. Met die surprises oogstte ik veel lof. Zo ontdekte ik dat je met zelfgemaakte objecten iets bij mensen teweeg kunt brengen. Ik was ook handig met elektra. Van lego wist ik een werkende kabelbaan te maken.”

En dus schreef u zich later meteen in voor de Design Academy Eindhoven?

„Nee, ik heb eerst scheikunde gestudeerd, ik wilde biotechnoloog worden. Maar die studie bleek veel te abstract voor mij dus toen ben ik naar de TU Delft gegaan. Ook geen succes: daar draaide alles om het programma van eisen, en speelden esthetiek en beleving geen rol. Ik knutselde daar veel voor mezelf en zat vaak in de bieb. Designtijdschriften als Items en Domus openden me de ogen: aha, zo kun je dus ook over vormgeving nadenken. Daarna ben ik naar Eindhoven gegaan. Die opleiding was een schot in de roos. Ik ben wel altijd geïnteresseerd gebleven in het uitvinderige en de ontdekkingen van de natuurwetenschappen.”

Wat is het geheim van een geslaagd ontwerp?

„Goede ontwerpen kunnen vaak tot een eenvoudige tekening of idee worden teruggebracht. Mijn Flames-kandelaar heeft grafische kwaliteit: een neptunusvork op een gasfles, zo eenvoudig is ’ie. En ook mijn Sticky Lamp is buitengewoon simpel: de plastic verpakking om het peertje is de lamp, en die plak je tegen de muur, of waar je maar wil.”

Hou zou u uw eigen ontwerpstijl omschrijven?

„Met eenvoudige ingrepen in materialen probeer ik iets onverwachts te bereiken. Geniale eenvoud, daar zoek ik naar. Daarom hou ik van ontwerpen die iets uitvinderigs hebben, of een trouvaille in zich dragen. Van een autolamp maakte Achille Castiglioni zijn beroemde Toio-lamp. En Enzo Mari boog een metalen H-profiel een beetje. Met die op zich duffe ingreep veranderde hij een halffabricaat in een fraaie schaal.

„Zelf heb ik laatst van een tien meter lange, houten balk een ronde bank ontworpen, de Wood Ring. Ook met een eenvoudige ingreep: de balk wordt verzaagd tot spits toelopende elementen die, zonder lijm, met een metalen band worden verbonden. Zo ontstaat een cirkelvormige bank waarvan de houtnerf doorloopt, een soort oneindige boom.”

Van die bank zijn slechts acht exemplaren te koop bij een chique galerie. Is design kunst?

„Ik noem me niet voor niets designer en geen kunstenaar. Ik wil daar ook ver van blijven. Ik maak gebruiksvoorwerpen. Dat die soms in een galerie eindigen vind ik geen bezwaar. Het liefst beantwoord ik spannende vragen waarvan de antwoorden tot producten leiden die ook elders werken. Laatst vroeg een klant of ik van de tl-lampen in zijn kantoor iets feestelijks kon maken. Het budget was maar klein. Met een lasersnijmachine heb ik van transparante kunststof vrolijk gekleurde slingers laten maken, die over de tl-buizen kunnen worden getrokken. Die oplossing kan ook in andere ruimtes goed werken, dat wordt dus een product.

„Zo ging het ook met de half-transparante aluminium gevelbekleding die ik voor een pand in Amsterdam ontwierp. Diverse architecten willen nu net zoiets van me.”

Van welk ontwerp heeft u spijt?

„Ik ben ooit door een plasticfabrikant benaderd om een grote plantenbak te ontwerpen. In die tijd werd net duidelijk hoe groot de plastic soep in de oceanen was. Ik probeerde toen met die pot een soort politiek statement te maken, waarbij ik compleet de weg kwijt raakte. De pot werd een enorm gedrocht en is gelukkig nooit in productie genomen. Ik bewonder mensen die scherp kiezen en weten wat goed bij ze past. Ik probeer steeds strenger tegen mezelf te zijn. Dan zeg ik: ‘Nee, Chris, niet doen’.”

U geeft les op een designacademie. Wat probeert u studenten bij te brengen?

„Dat wat je vertelt en wat je laat zien overeenstemt. Ik hou niet van losse eindjes. En dat ze goed moeten nadenken over hoe producten gemaakt kunnen worden. Het modische aspect van ontwerpen, ieder jaar een nieuwe variant of een nieuwe decoratie, interesseert me minder.”

Ziet u de toekomst met vertrouwen tegemoet?

„Ik ben een naïeve optimist. Met één assistent is mijn studio klein. Maar ik vind het al moeilijk om aan mij zelf leiding te geven. Die joodse verwensing ‘Ik wens je veel personeel toe’ snap ik helemaal. Een grote studio lijkt mij horror. Ik heb in de loop der jaren gelukkig allerlei technische mensen om me heen verzameld die dingen veel beter kunnen maken dan ik.”

Wat doet u over vijf jaar?

„Die vraag stel ik mezelf ook af en toe. Door dingen te benoemen gebeuren ze vaak. Zo heb ik eens gezegd dat ik wilde dat het Museum of Modern Art in New York iets van me zou aankopen. En dat ik wilde exposeren bij Galerie Kreo in Parijs (een van de beste designgaleries in de wereld, red.). Die wensen zijn inmiddels vervuld.

„Ik zie ernaar uit complexe en grootschalige ontwerpen te maken. Vroeger dacht ik dat spullen in mijn hand moesten passen, dat dat een maat was die bij me paste. Na Wood Ring en de gevel in Amsterdam (100 vierkante meter, red.) weet ik wel beter.”