Ik heb met de werkelijkheid vaak de hand gelicht

Schrijfster Helga Ruebsamen (80), bekend van haar autobiografische roman Het Lied en de Waarheid en korte verhalen over randfiguren, heeft hier en daar weleens een leugen verteld, ook als journalist. „Ik zweer je, klachten zijn er nooit gekomen.”

Tekst Jessica van Geel Foto Andreas Terlaak

Chinees

„Eind jaren 80 ben ik gevraagd om een schrijfcursus te geven aan gevangenen in de strafgevangenis in Scheveningen. Daar heb ik verhalen over geschreven die onlangs samen met wat andere columns zijn gebundeld in Ruimschoots de Tijd. Ik zag er erg tegenop om die cursus te geven, tegelijk was ik nieuwsgierig naar het leven daar. Ferdi E. zat in mijn klasje [de moordenaar van Ahold-directeur Gerrit Jan Heijn]. En ook een heel leuke Chinees, een huurmoordenaar, maar ik heb zelden zo’n aardig mens ontmoet. Bij de publicatie heb ik wel kritiek gekregen dat het oude verhalen zijn, maar wat maakt dat uit? Een verhaal is toch geen levensmiddel dat bederft?”

Brandweer

„Ik heb met de werkelijkheid vaak de hand gelicht. Omdat brokjes dagelijkse werkelijkheid vaak te sloom zijn voor een goed verhaal. Iets heel anders is, dat ik weleens beroemde citaten van onder anderen Rilke en T.S. Eliot als verstekelingen in mijn verhalen heb ondergebracht. Het is niet opgemerkt. Ook als werkstudent bij Het Vaderland – waar ik begon als journalist – voelde ik me genoodzaakt nu en dan de realiteit naar mijn hand te zetten. Dan belden ze dat er ergens een brandje was en of ik daar even naartoe kon gaan. Tegen de tijd dat ik daar met de fiets aankwam was de brand net geblust en reed de brandweerwagen weg. Ik vond het dan armoedig om geen verhaal te hebben. Ik dacht, laat ik maar even een klein kindje redden van het dak. Ik heb dat vrij vaak gedaan en ik zweer je, klachten zijn er nooit gekomen. Het waren trouwens altijd wel overtuigende stukjes, al zeg ik het zelf. Ik vond dat ik er iedereen een dienst mee bewees: de krant, de lezer en vooral de brandweer.”

Maansverduistering

„Ik ben door de mand gevallen met de maansverduistering. Het was in de jaren 50 en die verduistering was aangekondigd als een unieke constellatie die maar eens in de driehonderd jaar zou plaatsvinden. De koningin zou op het dak van het planetarium komen kijken. Ik mocht er verslag van doen. Ik was nog even gaan slapen, had de wekker gezet, maar werd de volgende ochtend pas wakker. Ik dacht: nu rest slechts zelfmoord. En toen dacht ik, nee joh, ik maak wel een stuk. National Geographic had beschreven wat er kon gebeuren en dat heb ik zich aan de hemel laten afspelen en de koningin ‘oh’ en ‘ah’ laten roepen. Het kwam op de voorpagina van Het Vaderland terecht. Maar er was helemaal niets te zien geweest. Het had gestort van de regen. We stonden compleet voor gek. Ik had mijn tas al gepakt toen de hoofdredacteur zei: ‘U gaat helemaal niet, u krijgt straf! U mag een jaar lang uitsluitend foto-onderschriften schrijven.’ Wat aardig hè. Ik schaamde me diep. Op de redactie vonden ze het prachtig. Die mensen hadden de oorlog meegemaakt, dat maakt alles relatief.”

Hond

„Na de dood van mijn vorige hond in 2010 ben ik ongemerkt in een depressie geraakt. Schrijven deed ik niet meer. Dat had ik nooit eerder gehad. Publiceren heb ik nooit veel gedaan, maar dat is wat anders. Ik vind publiceren gewoon niet zoveel aan, schrijven is mijn doel. Dat ik mijn eerste verhalenbundel [De kameleon, 1964] uitbracht kwam ook alleen maar omdat mijn eerste echtgenoot die verhalen zomaar eens naar een uitgever had gestuurd. Ik bouw nu het schrijven weer op. Het is als wandelen, je moet ervoor trainen. Elke dag schrijf ik nu minimaal een paar honderd woorden, minimaal een uur per dag.”

Buitenbeentjes

„Ik heb veel geschreven over wat men buitenbeentjes noemt. Hoeren, dronkaards, vreemdgangers, daklozen. Ik zocht de mensen die niet tot de welmenende burgerij behoorden. De werkelijkheid is vaak zo saai, door randfiguren te beschrijven maakte ik het leven spannender. Al levert de werkelijkheid soms genoeg wonderlijke situaties op. ‘De meisjes van Marlot’, twee oudere dames die zoveel dronken dat een haar been verloor, hebben echt bestaan. Ik heb ze, lichtelijk geromantiseerd, zo natuurgetrouw mogelijk proberen te schilderen.”

Het lied en de waarheid

„Met Het lied en de waarheid [1997] heb ik geprobeerd de waarheid en niets dan de waarheid op te schrijven. Over hoe ik mijn kindertijd in Nederlands-Indië heb ervaren en waarom we vlak voor de oorlog naar Nederland terugkeerden. Het is het best verkopende boek uit mijn kleine oeuvre, maar mijn lieveling is het niet. Lieden in mijn familie hebben gezegd dat de feiten niet kloppen, mijn vader zou bijvoorbeeld geen Jood zijn. Volgens mijn herinnering is het de waarheid. Hoe dan ook, áls er nog een vervolg op Het lied en de waarheid komt dan laat ik in ieder geval mijn fantasie toe. Contact heb ik overigens nauwelijks meer met familie, al heel lang niet. Na de oorlog is de hele boel langzaam uit elkaar gevallen en het deel waar ik nog kennis van had is nu wel uitgestorven. Het was een wonderlijke familie met de nodige zonderlingen – waar ik er zelf dan ongetwijfeld ook een van ben.”

Huwelijk

„Het huwelijk is een gouden draak, een mythologisch wezen. Ken jij mensen die vijftig, zestig jaar gelukkig bij elkaar zijn? Goed, ze bestaan wel maar voor mij is het ondenkbaar. Mijn dochter, die ik met mijn eerste man Serein Pfeiffer heb gekregen, heeft een schat van een man, hij is lief en trouw. Maar ze weigert te trouwen en ik denk dat dat komt omdat ik zo’n slecht voorbeeld heb gesteld. Ik ben van haar vader gescheiden toen zij nog erg jong was. Hij was jazzmuzikant en ik kon dat leven met een peuter erbij niet volhouden: het gewone leven overdag waarin ik mijn stukjes trachtte te schrijven en ’s nachts na de optredens markante figuren over de vloer, die rustig een half jaartje bleven inwonen ook.”

Droeve dingen

„Het is dat je erover begint, liever houd ik deze droeve dingen buiten beschouwing. Mijn tweede man overleed op zijn 59ste aan kanker. Mijn eerste man is vermoord. Ja, door de zangeres van de band, en ja, dat was toevallig de ex-vrouw van schrijver F.B. Hotz. We waren toen al gescheiden. Het was een vreselijke geschiedenis, voor iedereen, ook voor haar. Ze zong werkelijk schitterend, maar ik vond haar een onmogelijk schepsel. Hotz wilde niet dat hij of ik er ooit over zouden schrijven. Dat hebben we ook niet gedaan en dat ga ik niet doen, al is Hotz inmiddels overleden en al was ik het nooit helemaal eens met zijn drastisch stilzwijgen. De vrouw had waanbeelden. Serein riep altijd wel theatraal dat hij oud werd, dat hij dood zou moeten zijn, maar dat was meer een kokette verzuchting. Zij nam het totaal serieus en stak hem neer.”

Tachtig

„Op mijn tachtigste verjaardag heb ik een opdoffer gekregen. Mijn kleindochter Dewi stuurde vanuit Parijs een grote doos. Ik opende hem en twee wezens gleden langs mijn wangen – als verderlichte kusjes – naar boven. Het waren twee enorme ballonnen: een grote acht en een grote nul. Maandenlang hebben ze langs mijn plafond gewalst. Het was een schattig verjaardagskado, maar ik kan het niet meer uit mijn kop krijgen: tachtig. Ik vind het ergens ook wel een prestatie trouwens om überhaupt zo oud te worden, al word je wel als een oude auto waar telkens iets aan mankeert. Toch zijn er geweldige voordelen verbonden aan ouderdom. Alles wordt makkelijker omdat er een grotere distantie tot de wereld ontstaat. Ik denk sneller, ach, het zal mijn tijd wel duren.”