Hier wordt zeilen overleven

Nergens worden rond-de-wereld-zeilers zo op de proef gesteld als in de Zuidelijke Oceaan. Maar ondanks de dodelijke vermoeidheid, en de voortdurende kans dat er iets fout gaat, is de kick enorm. En daarom doen mensen mee aan de Volvo Ocean Race.

Foto Ainhoa Sanchez/VOR

D

e handen van Louis Balcaen zijn kapot. De dikke laag eelt die zich na maanden op de oceaan op zijn vingers en handpalmen had gevormd, begon in de warme wateren rond de evenaar los te laten.

Dat doet de Volvo Ocean Race met een lichaam: bottenbrekende golven, ijzige kou, kokende hitte, de wind, de zon. En het zoute water, altijd en overal. Het sloopt je, zegt de jonge Belgische zeiler van Team Brunel met een glimlach. „Na twintig dagen op zee ben je de spierkracht in je benen kwijt. Je slaapt slecht, eet ongezond, je hebt veel stress.”

Maar hij wil het voor geen goud missen. Golven als verslaving. Ook als het menens is, op de Zuidelijke Oceaan – het summum voor zeezeilers. Duizenden mijlen zeewater, zonder enig obstakel dat het ritme van wind en golven onderbreekt.

„Je voelt je daar zo klein. De kracht van het water is onbeschrijfelijk”, zegt Balcaen, bezig aan zijn eerste Volvo Ocean Race. „Sommige golven zijn zo hoog en zo steil als een lantaarnpaal. Ik ben twee keer van het stuur geslagen door zo’n grote watermassa. Natuurlijk ben je aangelijnd, maar ik was boos op mezelf: als je aan het roer staat mag je niet overboord gaan, je hebt de verantwoordelijkheid over de hele boot.”

Meest afgelegen plek

Verder weg kun je niet, op aarde. De tocht van Nieuw-Zeeland naar Brazilië voert langs Point Nemo, midden in de Zuidelijke Oceaan en de meest afgelegen plek op aarde: wie die coördinaten passeert weet dat hij met zijn zeilbootje 2.688 kilometer verwijderd is van het dichtstbijzijnde land – en zelfs dat is een onbewoond koraalatol. „Als je daar je been breekt, lig je tien dagen onder dek aan de morfine. Maar je probeert er niet aan te denken.”

Carolijn Brouwer, met SCA onderweg in haar tweede Ocean Race, is bloedserieus wanneer ze zegt: „Als de temperatuur van het water in de Zuidelijke Oceaan 28 graden was en er dreven geen ijsbergen rond, dan zou elke zeilliefhebber er op vakantie gaan met zijn jacht. Harde wind, hoge golven – waanzinnig mooie rollers. Dat heb je alleen daar.”

Als een van de meest ervaren zeilsters staat ze de meeste tijd aan het roer, als prooi van de elementen. „Het vreet aan je, het water, de kou. Na drie kwartier sturen in een storm ben je helemaal kapot, je houdt geen armen over. Vooral in het donker is het moeilijk. Dan zie je de golven niet. Als je zo’n golf over je heen krijgt geeft dat soms zo’n dreun op je ribbenkast dat je naar lucht zit te happen.”

Ze compenseert de ontberingen met 6.000 calorieën per etmaal, in gevriesdroogd voedsel, powerbars, chocola, muesli. „Anders hou je het niet vol”, zegt Brouwer. „Onze navigator Libby Greenhalgh zat benedendeks achter de computer met zeven of acht lagen kleding, muts op, handschoenen aan. En nog koud. Alles is nat en klam, tot in je slaapzak.”

Slapen is een relatief begrip op zo’n stampende boot, waar alles schuin hangt, ligt, zit en staat. Waar geen pauzeknop is voor het lawaai van de golven, de wind en de krakende boot. Vier uur op, vier uur af is het ritme voor de bemanning, maar voor een zeilwissel wordt iedereen aan dek geroepen. Balcaen: „Je slaapt wel, omdat je zo moe bent. Maar je slaapt heel licht: als er iets gebeurt ben je onmiddellijk wakker. Als er een paar keer iets gebeurt dat je niet had verwacht, sluipt er een soort angst in.”

Je ziet de golven niet komen

Niets is makkelijk, als zeilen overgaat in overleven. Met die zware, natte pakken duurt aan- en uitkleden niet tien minuten, maar een half uur, zegt Brouwer. „Een van onze meiden had haar handen even los toen de boot zich in een golf boorde. Ze vloog met haar rug dwars door het frame rond het keukenblok. Benedendeks ben je compleet gedesoriënteerd, je ziet de golven niet komen.”

Die zagen ze wel toen ze na een paar dagen op de Zuidelijke Oceaan letterlijk op hun zij werden geblazen, een zogenoemde broach. „We werden van achteren ingehaald door een zware wolk met veel wind”, vertelt Brouwer. „We waren gewoon te gretig, wilden te hard. Daardoor waren we te laat met reven en het oprollen van de fractional [een groot voorzeil dat tot windkracht 6 gebruikt kan worden, red.]. Zit je ineens in 40 knopen wind [windkracht 8, red], heb je te veel zeil en raak je de controle kwijt. Lig je ineens op je zijkant. De fractional scheurde van boven tot onder en kwam in het water terecht, onze instrumenten gingen uit. Het was donker, geen sterren, en golven van een meter of acht.”

Geen tijd voor angst

Voor angst of verwijten is dan geen ruimte. „Daar heb je geen tijd voor, je moet verder. Irritaties krijg je met licht weer, als drie meiden urenlang voorop de boeg zitten. Nu ging iedereen aan het werk.

„Het rare is dat het ineens heel rustig is. De wind waait tegen de romp aan, wij zitten erachter, beschut. Ineens kun je met elkaar praten. Heel bizar, na al die chaos. Ik hang verticaal langs de boot, als een plank. Liz Wardley, die stuurt, maar half in het water ligt, gebruikt mij als trap om naar de hoge kant te klimmen. Op een gegeven moment krijgen we de boot weer recht, met hulp van de kantelkiel. En ineens ben je weer terug in de chaos. We zijn er vijf uur mee bezig geweest. Die hele etappe hebben we op overleven gevaren.”

Maar aan het eind wacht de beloning: niet voor niets heeft Kaap Hoorn, de rots onder de uiterste zuidpunt van het Amerikaanse continent, zo’n magische klank onder oceaanzeilers. Balcaen rondde hem voor het eerst. „Het is een plek die je stil maakt. In tien uur verandert de wereld volledig. Je komt uit het meest desolate deel van de aarde, je hebt veertien dagen geen land gezien, alleen hoge golven. En dan zie je die prachtige rots bij zonsopgang. Het werd helemaal rood. ‘Ik heb het gehaald.’ Dat gevoel had ik.

Toch is de werkelijkheid anders dan de spectaculaire beelden die de organisatie van de Ocean Race graag laat zien. „Het wordt een beetje geromantiseerd”, zegt Balcaen. „Weet je, ik heb zo vaak gedacht, als ik voor de zoveelste keer in de Zuidelijke Oceaan midden in de nacht moest opstaan voor mijn wacht: wat doe ik hier, wat bezielde me? Waarom heb ik geen kantoorbaan gekozen? Maar toch is dit het mooiste zeilen ooit. Die ellenlange golven waar je op kunt blijven surfen, het gesuis van het water dat over je heen spoelt. Ook al ben je dodelijk vermoeid, het geeft adrenaline, het geeft kippenvel. Je denkt alleen: nog harder varen, alles eruit halen. Dat is echt onbeschrijflijk.”