Het beste jongetje van de klas

De voorheen kleurloze bestuurder scoort in binnen- en buitenland met uitgesproken ideeën over integratie en islam. Kiezers van links én rechts zien een premier in de burgemeester van Rotterdam. Wie is hij?

Tekst Sheila Kamerman en Danielle Pinedo Foto’s Robin Utrecht

De Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb, de ‘vleesgewordenDutch Dream’. „Hij steekt zijn nek uit, juist op een gebied dat wemelt van de struisvogels.”
De Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb, de ‘vleesgewordenDutch Dream’. „Hij steekt zijn nek uit, juist op een gebied dat wemelt van de struisvogels.” Foto: Robin Utrecht

Het gebeurt na een lezing aan de Universiteit van Leuven. Ahmed Aboutaleb staat nog wat na te praten, als een vader en zoon hem aanspreken. „Burgemeester, waarom bent u zo hard voor ons?”, vraagt de vader. Aboutaleb buigt zich voorover. „Het is beter als ík u kauw en niet doorslik, dan dat anderen u kauwen en wél doorslikken”, citeert hij een Berbers gezegde.

Het voorval typeert de man die mondiale faam verwierf in de dagen na de terroristische aanslagen in Parijs. Vorige week nog sprak hij in die stad politici en beleidsmakers uit tientallen landen toe, als ‘de stem van de Verlichting’. „Hij wordt hier bijna als een rockster gezien”, zei een diplomaat tegen het AD.

De burgemeester van Rotterdam heeft iets van een leguaan: hij is sterk, moeilijk te vangen en kan fel van zich af bijten. Wat opvalt is dat hij zich profileert met zijn islamitische achtergrond, maar er niet mee vereenzelvigd wil worden. Wat is het geheim van deze politieke macher, die in korte tijd uitgroeide van kleurloos bestuurder tot populairste politicus van Nederland? Uit recent onderzoek van Maurice de Hond blijkt dat kiezers hém het liefst willen als premier.

Eén ding is zeker, zegt de Brusselse politica Yamila Idrissi, die net als Aboutaleb in het dorp Beni Sidel opgroeide, in het noordoosten van Marokko: „Aboutaleb kauwt uit liefde en zorg. Iemand als Wilders kauwt ook, maar maakt kapot.”

Beni Sidel ligt in het Rifgebergte, een dorre, achtergestelde regio die weinig op heeft met het centrale gezag in Rabat. Bewoners staan bekend als rebels, zegt Idrissi: „Wij zwijgen niet als we iets niet in de haak vinden. Aboutaleb deelt petsen uit indien hij dat nodig acht.”

En dus sprak Aboutaleb na de bloedige aanslag op de redactie van Charlie Hebdo, begin dit jaar, de inmiddels legendarische woorden: „Als je het niet ziet zitten dat humoristen een krantje maken, ja… mag ik het dan zo zeggen: Rot toch op!”

Die uitspraak maakte hem in één klap beroemd. Elsevier riep hem uit tot Nederlander van het jaar 2014. De burgemeester van Londen, Boris Johnson, noemde hem „mijn held”. En Aboutaleb ontving een uitnodiging van het Witte Huis. „Hij steekt zijn nek uit, juist op een gebied dat wemelt van de struisvogels”, zegt burgemeester Hans Bonte van de Vlaamse stad Vilvoorde. Bonte, Aboutaleb en Anne Hidalgo, de burgemeester van Parijs, deelden in Washington hun visie op extremisme. „Aboutaleb was extravert, direct, een echte gentleman”, vindt Hidalgo. „Hij presenteerde zich als ruimdenkende Europeaan.” De twee burgemeesters kenden elkaar niet, maar het klikte meteen.

Doe mee of rot op

Zijn ‘doe-mee-of-rot-op’-houding is authentiek. Na de moord op cineast Theo Van Gogh, in 2004, riep Aboutaleb gelovigen in een moskee op de Nederlandse waarden te respecteren of „anders de koffers te pakken”. Hij was woedend dat een 26-jarige man uit naam van de islam een moord kon plegen. Het leverde hem een periode van zware beveiliging op, waarbij hij op een andere plek moest wonen dan zijn gezin.

Aboutaleb (53) was toen net wethouder van sociale zaken in Amsterdam voor de PvdA. Een functie waar hij lang over had geaarzeld. Als directeur van het multiculturele instituut Forum timmerde hij aan de weg. Don’t change horses in midstream. Maar toen PvdA-coryfee Schelto Patijn hem belde met de woorden ‘Ahmed, de stad heeft je nodig’, ging hij overstag.

Ook in die tijd kreeg Aboutaleb hevige kritiek van met name Marokkaanse Nederlanders. „Zijn uitspraken worden soms met zelfhaat verward”, zegt de Brusselse politica Idrissi. „Je kunt het vergelijken met Barack Obama: die hield ook een paar strenge toespraken tegenover de zwarte gemeenschap in Amerika. Zwarten fronsten hun wenkbrauwen: is Obama één van ons?”

Burgemeester Bonte van Vilvoorde vindt Aboutalebs uitspraken na ‘Parijs’ „moedig”, maar denkt dat ze „de complexe werkelijkheid” geen recht doen. „Het lost de radicalisering van moslimjongeren niet op. Sterker: het kan problemen juist vergroten.” Insluiten werkt beter dan uitsluiten, zegt Bonte. Ook uit pragmatisme. „Het zijn kut-Marokkanen, maar wel ónze kut-Marokkanen. Dat idee.”

Aboutaleb ziet dat anders. Die ‘kut-Marokkanen’ moeten volgens hem als zodanig benoemd worden. Dat heet vrijheid van meningsuiting en die moet „te vuur en te zwaard verdedigd worden”. En wie kan dat in dit geval beter dan hij? Hij kent de koran, leest en spreekt Arabisch. Hij is in staat de zelfbenoemde predikers die met een Korancitaat aan de haal gaan van repliek te dienen. Dat kun je toch geen racisme noemen?

Zoals alleen joden antisemitisch getinte witzen mogen vertellen, zo vindt Aboutaleb dat hij geloofsgenoten op hun gevoeligheden mag aanspreken. En dus zegt hij dat ‘de moslimgemeenschap’ afstand moet nemen van islamitisch terrorisme. Het is een van de verklaringen voor zijn populariteit: eindelijk een moslim die zijn geloofsgenoten niet voortrekt of de hand boven het hoofd houdt, maar aanspreekt op hun verantwoordelijkheid.

Een andere verklaring is dat Aboutaleb „alle talen spreekt”, zoals een medewerker van het Kieskompas het eerder dit jaar verwoordde, na een populariteitspoll onder politici. „Iedereen vindt er wel iets van zijn gading in. Het is de combinatie: dat ze klootzakken niet nodig hebben, dat mensen gewoon moeten meedoen, maar dat we ook zorgen voor elkaar. Dat werkt.”

Maar vooral jonge Marokkaanse Nederlanders vinden Aboutaleb stigmatiserend. Zoals documentairemaker Abdelkarim El Fassi, die Aboutaleb aansprak in een open brief op Facebook – enkele maanden voor de aanslagen in Parijs. Door een specifieke groep, de Marokkaanse en moslimgemeenschap, te vragen excuses te maken voor iets „dat een terreurgroep in Verweggistan aanricht” spreekt Aboutaleb hen aan op hun etnische en religieuze identiteit. En daar willen ze juist vanaf, betoogde hij.

El Fassi wijt hun verschillende zienswijzen aan een generatiekloof. Aboutaleb, opgegroeid in een straatarm dorp in de Rif, waar hij met een ezel vijf kilometer moest lopen om kruiken water te halen, heeft die ezel als referentiekader. In Nederland aangekomen vond hij een trein bijzonder. De generatie na hem vindt de trein normaal en juist die ezel bijzonder. „Net als de meeste Nederlandse staatsburgers. Waar u Nederland in vrijwel al uw optredens bedankt voor de kansen, zien wij dat als vanzelfsprekendheid.”

Geen geld voor schoenen

Aboutaleb is de vleesgeworden Dutch Dream, als equivalent van de American Dream, zegt Nourdin el Ouali, de voorman van de door de islam geïnspireerde Rotterdamse partij Nida. Van Marokkaans jongetje dat op blote voeten liep omdat er geen geld was voor schoenen, werkte hij zich op tot burgemeester van Rotterdam. Een bekwaam spreker, vloeiend in Frans, Engels en Arabisch. El Ouali: „Hij is intelligent, ambitieus en heeft doorzettingsvermogen. Dat dwingt respect af. Ook bij mij.”

Maar Aboutaleb ziet zichzelf ook als uitzondering, zegt El Ouali. „Hij vindt dat hij een voorbeeld is voor álle moslims. En hij kan slecht omgaan met kritiek.” In een debat zei El Ouali tegen de burgemeester dat hij moslims niet als groep moet aanspreken om IS te veroordelen. Hij vraagt Nederlandse joden toch ook niet het beleid van Israël te veroordelen? „Hij vond dat ik hem de maat nam en verweet mij slachtoffergedrag. Ik vind dat een dooddoener. Dat is mijn rol als raadslid, daar moet hij tegen kunnen. Ik vertolk het geluid dat ik op straat hoor. Moslims accepteren het niet meer door de overheid als aparte groep te worden aangesproken.”

Volgens El Ouali, en hij staat daarin niet alleen, is Aboutaleb een vat vol tegenstrijdigheden. Enerzijds is hij belijdend moslim en spreekt hij als zodanig geloofsgenoten aan. Anderzijds wil hij niet op zijn islamitische of Marokkaanse achtergrond aangesproken worden: dat doet toch niet ter zake? Hij bidt, maar niet op het werk. Hij vast tijdens de Ramadan, maar vindt dat niet-moslims daar geen last van moeten hebben. El Ouali: „Aboutaleb wil het beste jongetje van de klas zijn. Hoe hij dat doet hangt af van in welke klas hij zit.”

Aboutaleb wuift zulke kritiek weg. Hij houdt vast aan zijn mantra: goed word je door te integreren. Integratie is meedoen. Meedoen is leren. In gesprekken met kinderen strekt zijn eigen levensverhaal tot voorbeeld. Schraap over de bodem van je kunnen en voel je vooral geen slachtoffer.

Haagsche Courant

Zelf was hij vijftien toen hij met zijn moeder, broertje en vijf zusjes naar Nederland kwam – zijn vader werkte er al jaren als gastarbeider. Het gezin ging wonen in het Haagse Laakkwartier. Ahmed wilde zo snel en volledig mogelijk integreren. Zijn eerste aankoop: Nederlandse woordenboeken voor 200 gulden. Hij las de Haagsche Courant met het woordenboek in de hand. Op zijn twintigste sprak hij foutloos Nederlands.

Bestuurskundige Abdelkader Salhi kwam in dezelfde periode naar Nederland. Hij raakte bevriend met de serieuze jongeman die graag dichtte en een scherm optrok als het te persoonlijk werd. „Hij wil gehoord worden en praat graag over zichzelf. Ik weet nog goed dat hij de Marokkaanse maaltijden van zijn moeder met mes en vork at. Ahmed besefte dat hij dat soort gebruiken snel onder de knie moest krijgen om vooruit te komen.”

Dat Aboutaleb de politiek in zou gaan had Salhi niet verwacht. „Als jongen was hij daar niet in geïnteresseerd. Ik hoor het hem nog zeggen: politiek is niets voor mij.” Waarschijnlijk heeft hij na zijn wethouderschap de smaak te pakken gekregen, denkt Salhi. „Toen de PvdA hem in 2007 vroeg staatssecretaris te worden vond hij dat te min. Hij had een ministerspost verwacht. Hij wist: Ik kan dat waarmaken.”

Zijn vrouw Khaddouj Erahoutan maakte een bijna even snelle ontwikkeling door. Geboren in Tanger kwam ze op haar twaalfde naar Nederland. Ze studeerde sociaal-pedagogische hulpverlening. Een ex-collega van de Haagse ggz-instelling waar zij als begeleider van psychiatrische patiënten werkte: „Khaddouj is makkelijk in de omgang en zeer direct. Ze doet niet onder voor haar echtgenoot.”

Ahmed en Khaddouj ontmoetten elkaar op een bruiloft, waarna ze belden en correspondeerden. Hij vroeg haar vader om haar hand. Die zei: „Als Khaddouj geen bezwaar heeft, hebben jullie mijn zegen”. Toen ze hun eerste kind kregen was Khaddouj 22 en Ahmed 25. „Ik had nog wel even willen wachten”, liet hij zich eens ontvallen. „Maar zij wilde kinderen. En je weet, in Marokkaanse gezinnen is het de vrouw die beslist wat er gebeurt.”

Zijn uitlating tegen Marcel van Dam in Buitenhof dat hij het liefste zou zien dat zijn dochter een moslim trouwde, wordt hem al jaren nagedragen. Wat ik daarná zei, wordt nooit geciteerd, zegt hij daar zelf over. „Alle ouders hebben ideeën over de partners van hun kinderen. Maar ik heb óók gezegd dat ik haar uiteindelijke keuze respecteer.” En als uw zoon homo zou zijn? „Dan is mijn zoon homo!” Sinds de moord op Van Gogh en de doodsbedreigingen – die volgens partijgenoot Job Cohen „een zware wissel trokken op zijn gezin” – houdt Aboutaleb zijn familie buiten de publiciteit.

De ultieme integratiebeleving heeft hij in de jaren 90. Aboutaleb is dan al vader van drie kinderen en kampeert op een boerencamping bij Maastricht. Anneke van Leeuwen, die met hem in een ministeriële commissie zat, herinnert zich hoe hij opgetogen terugkeerde. „De boer had hen verwelkomd met de woorden: ‘Ha, daar hebben we de familie Jansen’. Voor hem was dat een groot compliment.”

Een Hollander. Maar toch nooit helemaal. Het is alweer bijna vergeten, maar de eerste jaren als Rotterdamse burgemeester waren zwaar. Marco Pastors van Leefbaar Rotterdam gaf hem bij zijn inauguratie een gefrankeerde envelop, geadresseerd aan de koning van Marokko, om zijn Marokkaanse paspoort op te sturen. Er was grote twijfel over zijn loyaliteit. Leefbaar, de grootste partij in de raad, wilde hem niet. Hij was Rotterdam opgedrongen vanwege zijn Marokkaanse achtergrond, zei Marco Pastors.

Net een half jaar later schoten in het nauw gedreven Rotterdamse agenten gericht op hooligans tijdens een strandfeest in Hoek van Holland. Er viel een dode. De korpschef werd vervangen. Evenementen werden streng beveiligd of verboden. Het maakte van Aboutaleb meer een burgemeester van zero-tolerance dan ‘mister Integratie’ zoals hij in Amsterdam gekscherend werd genoemd.

Regenjas

Aboutaleb mag daadkrachtig zijn, hij mist wel zwier. Toen hij onlangs werd geïnterviewd bij Pauw over ‘bed, bad en brood’ voor uitgeprocedeerde asielzoekers, had hij veel weg van een steile ambtenaar. Hij valt eerder op door directheid en zelfverzekerdheid: „In Rotterdam slaapt niemand op straat.” Het is dezelfde stelligheid waarmee hij tijdens een van zijn eerste baantjes als journalist in discussie ging met een collega. „Ik heb met woorden geschoten”, zei hij tegen haar. Waarop zij zei: die uitdrukking bestaat niet. „Zeker wel”, zei Aboutaleb, die nog geen tien jaar in Nederland woonde. „Dat is mooi en goed Nederlands.”

In zijn eerste jaren als burgemeester was hij formeel. „Kraak nog smaak”, zegt iemand. Het was zijn enorme werkdrift die hem er doorheen hielp. Talloze werkbezoeken legde hij af. Moskeeën kwamen als laatste aan de beurt, „want ik weet toch wel hoe het er daar aan toe gaat”. Regelmatig liep hij in regenjas en met een pet op zijn hoofd incognito door de stad. Dan belde hij bij willekeurige Rotterdammers aan om te vragen hoe het ging met de stad en met de bewoners.

Dat laatste doet hij nog steeds – al kost het meer moeite niet herkend te worden. De burgemeester is beroemd. De woorden waarmee locoburgemeester Jantine Kriens hem de ambtsketen voor de eerste keer omhing, passen hem als een oude jas: ‘Sterker door strijd. Hier krijg je niets voor niks’.