Goede rechters en dan toch matige rechtspraak

Ieder stuk waarin rechters zèlf de inhoudelijke kwaliteit van hun werk kritisch en onderbouwd beoordelen moet de burger alarmeren. Dat geldt dus voor ‘Grip op kwaliteit’ van de Amsterdamse raadsheer Ruth de Bock, onlangs verschenen als preadvies voor de Nederlandse Juristen Vereniging. Het Nederlands Juristenblad noemde het een indrukwekkend stuk.

Dit is inderdaad een heldere zelfkritiek, direct van de werkvloer, waar de rechtspraak morgen mee aan de slag kan. Dat een rechter schikkingen soms juist moet voorkomen en niet altijd maar bevorderen. Dat er paal en perk gesteld moet worden aan de immer groeiende hoeveelheid processtukken. Dat uitstel altijd afbreuk doet aan kwaliteit. Dat rechters bagatelzaken moeten helpen voorkomen. Dat rechters moderner moeten communiceren, ‘bekritiseerbaar’ moeten zijn in plaats van defensief. Enzovoort.

Nu is de kans dat een preadvies van de NJV ook echt gelezen wordt niet zo heel groot. Dus misschien zette raadsheer De Bock de ramen daarom wat verder open. De organisatie van de gerechten, de digitalisering van het werkproces waar het management al jaren enorm druk mee is, staat bij haar op de tweede plaats. De kwaliteit van wat rechters eigenlijk doen is daarentegen een „onbeheerd terrein van aanzienlijke omvang.” Laissez-faire en onderlinge vrijblijvendheid, zo vat ik de sfeer losjes samen. De kern is echter ambachtelijkheid, rechtvaardigheid en effectiviteit.

Zij constateert dat gerechten kwaliteit nu bewaken met ‘afvinklijstjes’, om aan ‘Den Haag’ verantwoording af te leggen. Over aantallen gevolgde cursussen, meervoudige kamers, ‘reflectiebijeenkomsten’ en ingevoerde standaardwerkwijzen. Maar intern voelen rechters zich niet aangespoord om eventueel beter werk te leveren. Of dat anders aan te pakken. Kwaliteit is een mantra, een leeg begrip. Dat leidt tot spanning en onbegrip tussen werkvloer en leiding. Er is onder rechters geen gezamenlijk idee over wat ‘goede rechtspraak’ is. De een vindt tijdigheid belangrijk, de ander deskundigheid, de derde autonomie, de vierde ‘Europa’. Gerechtsbestuurders opereren zo in een vacuüm.

Ontnuchterend is haar constatering dat ook als je integere, onpartijdige en onafhankelijke rechters hebt, dat nog geen garantie voor kwalitatief goede rechtspraak is. Rechters leren vonnis schrijven vooral van elkaar, in een meester-gezel verhouding. Veel hangt zo af van de kwaliteit van de ‘meester’ – maar ook van toevalligheden als het gerecht, de lokale opvattingen over kwaliteit, en zelfs het rechtsgebied. Daarin zijn onderling grote verschillen; landelijke normen of standaardwerkwijzen staan in de kinderschoenen. De bedrijfscultuur binnen de rechtspraak is hiërarchisch, waardoor bestaande praktijken uiterst moeizaam opnieuw getoetst kunnen worden. Zij neemt het scholen van de rechters op de korrel, dat geheel intern plaats vindt. Of het resultaat afwerpt is onbekend. Cursussen worden nooit afgesloten met een examen. Er bestaan geen plichten om specifieke kennis op te doen – de rechter mag zelf weten in welke cursus hij/zij zin heeft. Ook vrij ernstig: „Er kan niet zonder meer van uit worden gegaan dat de rechter over voldoende kennis van het recht beschikt”. Kennisopbouw in de rechtspraak is een zwak punt. Er is geen systematische aandacht voor specialisatie. Er wordt te gemakkelijk overgeplaatst. Bij het toedelen van zaken wordt weinig naar specialisatie gekeken. ‘Niet aanvaardbaar’, oordeelt zij. Rechters kunnen evenmin terugvallen op interne kennishulp: wetenschappelijke bureaus, informatiecentra, helpdesks. Behalve bij een paar hoogste gerechten zijn ze onbekend. De rechter als een kleine zelfstandige.

Gerechten kunnen vooral ‘gemiddeld complexe zaken met een gemiddelde omvang’ aan. Maar als de zaak veel groter is, of veel kleiner, dan schiet men tekort. De rechtspraak ‘perst alles door één mal’. Zodra een zaak meer vraagt, daalt de kwaliteit. En als een zaak juist minder vraagt (een korte mondelinge sessie) kan dat evenmin worden geboden. Rechtspraak op maat bestaat niet. En een echt gesprek over kwaliteit evenmin. Tot nu.