‘Een collectie is een bos waarin je kunt dwalen’

Hendrik Driessen

(63) is directeur van museum De Pont. Het stoort hem dat het vaak gaat over de financiële waarde van kunst.

Roeping

„Thuis mocht ik overal op tekenen. Het behang, het plafond, mijn kamer zat vol. Toen ik een jaar of negen was ging ik voor het eerst naar het Teylers museum. Ik weet nog hoe ik steeds verder doordrong in de ruimten, tot ik in een prentenkabinet kwam met een wand vol gordijntjes. Ik schoof er een opzij en zag een tekening van Michelangelo. Precies wat ik ook wilde maken. Ik raak nog ontroerd als ik dat moment terughaal. De ontdekking dat er anderen waren die deden wat ik deed en daarmee op zo’n bijzondere plek konden komen. Een tekening uit een andere eeuw, die over de tijd heen werd getild en tot mij sprak.”

Ergernis

„Ik zie een collectie als een zorgvuldig aangelegd bos waarin je kunt dwalen, je jezelf kunt verliezen, en dat langzaam aangroeit. Bij kunst moet het gaan over de intrinsieke waarde, de kracht waarmee een kunstwerk je raakt en blijft beroeren, ook als het zijn oorspronkelijke rol of boodschap heeft verloren. Het stoort me dat er nu vaak wordt gepraat over de financiële waarde. Dat hindert het vrije kijken, leidt af van wat je kunt zien. Ik ben niet argeloos, wij hebben de luxe positie niet van subsidie afhankelijk te zijn. Maar ook dan mag je de betekenis van cultuur niet alleen in economische termen vertalen.”

Zelfvertrouwen

„Nu zegt iedereen: geluksvogel! Maar de eerste jaren bij De Pont waren eenzaam. Er was het legaat van Jan de Pont, maar geen collectie of gebouw. De kunstwereld had de houding: hoezo nóg een museum? Wat konden wij toevoegen? Ik heb geleerd te vertrouwen op mijn instinct en op discussies met het bestuur. Ik had struiken in handen en moest overtuigen dat het een bos in wording was. Toen was het bravoure, inmiddels hebben we grote kunstenaars geïntroduceerd: Roni Horn, Rosemarie Trockel, Wolfgang Laib. Als me nu wordt gevraagd: ‘wie ben jij om keuzes te maken?’, dan is het antwoord: ‘omdat ik op mezelf durf af te gaan.’”

Visie

„Het moeilijkste is nee zeggen tegen mezelf. We kopen niet veel aan, zo’n 750 werken in 25 jaar tijd, waaronder veel kleinere werken die nodig zijn om het beeld van een kunstenaar compleet te maken. Ons voornaamste doel is van onze kunstenaars de sleutelwerken te bezitten. Als je één ding kunt hebben, zorg dan dat dit het werk is waarmee je alles over iemand zegt. Ik wil buikpijn krijgen als ik een werk tijdelijk in het depot moet opbergen. En elke aankoop moet zich kunnen verstaan met wat er al is, de dialoog aangaan, in wisselende verbanden. Een goede collectie herken je aan de samenhang, hoe ongrijpbaar ook.”

Intuïtie

„Bij kunst uit voorbije eeuwen heb ik me altijd afgevraagd: wat zou ik zien als ik toen had geleefd? Ook dat meesterwerk, dat net knullige handje? Dit in de hoop mijn kijkinstinct te leren vertalen naar het heden. Het zijn de werken waarbij ik denk ‘gatverdamme wat mooi’ die ik wil blijven zien. Werken die zich niet direct geven, irriteren, ontregelen. Ergernis is het begin van het opdoen van kennis, van dialoog en wie weet wat voor moois daaruit voortkomt. Kunstwerken die dat teweeg brengen dwingen het uiteindelijk af mooi gevonden te worden. Zoals de Engelsen zo prachtig zeggen: it grows on you.”

Weemoed

„Ja, ik had zeker kunstenaar willen worden. Maar ik kon het niet, eenzaam in een atelier iets doen waarvan ik zelf vond dat het moest. Ik hou van mensen en kennelijk was de noodzaak er onvoldoende. Toch kan ik nog heimwee hebben naar de tijd op de kunstacademie. Naar de momenten waarop techniek en instinct, controle en niet-controle samenkwamen, waarop ik met iets bezig was dat voor mij van zo’n wezenlijk belang was dat ik de tijd kwijtraakte. Dat het opeens, in een oogwenk, acht uur later was. Die verstilling, dat waren de mooiste momenten van mijn leven.”

Loslaten

„Ik kijk er niet naar uit om te stoppen, maar realiseer me dat het moet. Dit museum is het hart en het oog van Driessen, al staat mijn naam niet bij de voordeur. Ik wil het zo nalaten dat mijn opvolger er zijn eigen invulling aan kan geven. Passies genoeg. Ik ben bestuurslid bij Huis Marseille, heb een vliegbrevet. Afgelopen zomer heb ik rondleidingen gegeven, gesproken over de collectie, net als bij mijn eerste baantje in het Stedelijk. Mensen met woorden meenemen en ze zover krijgen dat ze nieuwsgieriger en beter gaan kijken. Praten over die onzinnige noodzaak van de mens om kunst te maken. Zo wil ik wel eindigen.”