CSI in de polder

In Crime Scene Investigation (CSI) worden misdaden met behulp van technologie opgelost. Elke aflevering zien we hoe frisgewassen types door hun microscopen naar DNA, vingerafdrukken, of andere sporen turen. En dan, een reclameblok verder, schreeuwt een van hen ‘It’s a match!’ en kan een boef worden ingerekend. De serie is ook in Nederland ongekend populair. Maar komende september, zo kondigden de makers aan, gaat de stekker eruit. Na 15 jaar is het mooi geweest.

Voor het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) was het reden om een tweet rond te sturen. Het instituut wilde „voor eens en voor altijd” nog eens gezegd hebben dat haar werkelijkheid verschilt van die van de serie. In de serie banjeren de forensische experts op naaldhakken en met wapperende haren door de plaats delict. Zoiets doen wij niet, legde het NFI uit.

Als het om centjes gaat, koketteert het NFI ondertussen maar al te graag met CSI. Het NFI huisvest een voorziening die warempel het CSI-laboratorium heet. Dat lab is weer een onderdeel van CSI-The-Hague, een met overheidsgelden gefinancierd project, waarin men digitale plaatjes kan maken van een plaats delict. Heeft een paar miljoen gekost. Welke misdaden er zoal mee zijn opgelost? Geen idee. Zou ik best een tweet over willen lezen.

NFI en CSI hebben wel meer gemeen. Beide blaken van zelfvertrouwen. Het motto van het NFI luidt „in feiten de beste”. Er is geen tweede overheidsdienst met zo’n onwrikbaar geloof in de eigen voortreffelijkheid. Zo feliciteert het instituut zichzelf omstandig met de stempel die het op de onderzoeksagenda voor de forensische wetenschappen heeft weten te drukken. Vreemd dat een door het ministerie van Veiligheid en Justitie bekostigd instituut überhaupt aanspraak kan maken op onderzoeksgelden die bedoeld zouden moeten zijn voor onafhankelijke wetenschappers.

Het NFI complimenteert zichzelf ook doorlopend met medewerkers die het als hoogleraar heeft weten aan te stellen bij diverse universiteiten. Gek, deze NFI-hoogleraren. Een beetje professor werpt vragen op en verstoort gemakzuchtige consensus. Mogen de NFI-profs lelijke dingen zeggen over hun baas?

Achter de chronische pogingen van het NFI om zichzelf op de sokkel te hijsen, gaat het idee schuil dat misdaden beter zijn op te lossen met technologie dan met psychologie. Zoals overtuigd NFI-supporter en ex-hoofdcommissaris Bernard Welten het ooit formuleerde: „Technisch bewijs is meer waard dan de verklaring van mensen. Mensen maken fouten, verdachten beroepen zich op hun zwijgrecht, maar de verklaring van technische sporen is veel-, zo niet alleszeggend.”

De verdienste van dit citaat is dat het pertinente onzin zo schaamteloos neerzet als feiten. Slechts bij een fractie van de delicten – een Amerikaanse schatting is 18 procent – zijn er bruikbare sporen die zich in een forensisch lab laten ophelderen. Meestal moet het bewijs komen uit wat getuigen en verdachten te melden hebben. Of neem doorbraken in wat cold cases heten. Die komen in 60 procent van de gevallen tot stand door nieuwe getuigenverklaringen en in 3 procent van de gevallen door aanvullend DNA-onderzoek.

„In feiten de beste.” Hoe vaak worden er fouten gemaakt in de laboratoria van het NFI? Ook dat is een dikke tweet waard. Foutloos werkende labs bestaan niet. Etiketten worden nu en dan verwisseld en sporen verdwijnen af en toe in de verkeerde zak. De Amsterdamse hoogleraren Peter van Koppen en Henk Elffers legden het haarscherp uit in een ijzersterk artikel (‘De mythe van het DNA-bewijs’) dat in 2006 in het Advocatenblad verscheen. Daarin rekenen ze voor wat er gebeurt als je dit soort labfouten verdisconteert in de bewijskracht. Dan blijken forensisch-technische sporen helemaal niet zoveel harder te zijn dan getuigenverklaringen.

In het universum van Welten en dat van het NFI zijn getuigen en verdachten onbetrouwbaar. Psychologen weten wel beter: getuigen worden niet onbetrouwbaar geboren, maar onbetrouwbaar gemaakt. Bijvoorbeeld omdat de politie ze pas weken na een delict verhoort. En verdachten leggen niet zo maar een valse bekentenis af. Zoiets wordt uitgelokt, bijvoorbeeld doordat de politie na urenlange verhoren de verdachte de suggestie aan de hand doet dat hij het delict wel zal hebben verdrongen. Dat zijn de psychologische equivalenten van met naaldhakken door de plaats delict lopen.

Ik geloof niet dat het ministerie van Veiligheid en Justitie ooit een euro heeft uitgegeven aan wetenschappelijk onderzoek naar deze kwesties. Van Koppen en Elffers zullen vast op de heisessies van allerlei rechtbanken een praatje mogen geven en dan na afloop een fles wijn krijgen. Maar dankzij het NFI wordt forensische wetenschap in dit land gedefinieerd als de technologie van CSI. Dáár gaat het onderzoeksgeld naar toe. Niet-nagetrokken alibi’s, verprutste ooggetuigen, psychiatrische informanten, rampzalige Oslo-confrontaties en ontspoorde politieverhoren komen in de afleveringen van CSI niet voor. En dus in het hoofd van het NFI en haar ideologen evenmin. Ach, wat zullen ze CSI nog gaan missen.