Asscher, hou ‘gematigde’ imams toch buiten

De Marokkaanse en Turkse overheid oefenen veel invloed in Nederland uit. Asschers remedie, oa. aan importimams vragen om de Nederlandse taal te leren, is een capitulatie voor de invloed van Mohammed VI en Erdogan, schrijft

August Hans den Boef.

De Nederlandse overheid belemmert de integratie van islamitische Nederlanders, onder meer door de import van ‘gematigde’ imams uit Marokko en Turkije toe te staan. Ze gaat daarmee voorbij aan het feit dat deze landen geen pluriforme, seculiere en democratische rechtsstaat zijn zoals Nederland is.

Onder leiders in beide landen staat de integratie van Marokkaanse en Turkse Nederlanders in Nederland bepaald niet voorop. Integendeel. De Marokkaanse koning Mohammed VI en de Turkse president Erdogan beschouwen Nederlandse burgers met een Marokkaanse en Turkse achtergrond als hun ‘onderdanen’ – en werken zo actief segregatie in de hand.

De meeste Turkse moskeeën in ons land vallen onder Ankara. En Turken in het buitenland kunnen terugvallen op een speciaal voor hen ingesteld ministerie in Ankara, dat onder meer kinderbijslag uitkeert.

Marokko op zijn beurt exporteert graag imams naar Nederland. Zo wil het Contactorgaan Moslims en Overheid tijdens de komende ramadan maar liefst 53 ‘gematigde’ imams uit Rabat laten invliegen. En Mohammed VI wil Nederlandse kinderbijslag laten uitkeren in Marokko.

De Nederlandse regering ondergaat deze regelrechte inmenging in binnenlandse aangelegenheden gelaten. In een recente brief aan de Tweede Kamer stelt minister Lodewijk Asscher (PvdA, Sociale Zaken en Werkgelegenheid) terecht: ‘We dienen kritisch te staan tegenover een Turkse overheid die invloed zou willen uitoefenen in Nederland; zeker wanneer dit zou leiden tot het remmen of beknotten van de mogelijkheden van Nederlanders van Turkse afkomst om optimaal te integreren en participeren in de Nederlandse samenleving.’

Maar de Turkse en Marokkaanse overheid oefenen al veel invloed uit. En Asschers remedie – aan importimams vragen om de Nederlandse taal te leren en een jaarlijkse moslimconferentie te houden – betekent een capitulatie voor de invloed van Erdogan en Mohammed VI. Op het leren van Nederlands is overigens door moskeebestuurders al afwijzend gereageerd.

Kennelijk ziet Asscher niet dat Nederland, net als andere Europese landen, het strijdtoneel van moslims vormt. Aan de ene kant staan de traditionele moslims, die nauwe banden met de regimes in het land van herkomst hebben. Zij hekelen in Nederland opgeleide imams omdat deze imams de Koran niet uit hun hoofd kennen of te kritisch zijn.

Aan de andere kant staan de moslims die streven naar een Nederlandse islam – zonder de collectivistische dwang van al die verschillende nationalistische en geloofsgemeenschapjes uit de landen van herkomst: Arabisch of Berbers sprekende Marokkanen, soennitische of alevitische Turken, shi’ieten of soennieten uit Irak. Om van de arme soefi’s nog maar te zwijgen, die door alle traditionalisten als ketters worden beschouwd.

Maar een Nederlandse moslim die wil integreren in de samenleving, weliswaar met liefde voor zijn roots, wordt nu door de Nederlandse overheid in de steek gelaten.

In een pluriforme, seculiere en democratische rechtsstaat houdt de overheid zich niet met religie bezig. Vanuit het principe van scheiding tussen kerk en staat uiteraard, maar ook omdat gelovigen in het pluriforme Nederland tegenwoordig een demografische minderheid vormen, die bovendien bestaat uit verschillende godsdiensten en gemeenschappen.

Met andere woorden, de overheid heeft formeel geen voorkeur voor ‘een gezonde islam’, ‘gereformeerden die hun kinderen vaccineren’, ‘katholieken die het celibaat willen opheffen’ of ‘joden die voor het homohuwelijk zijn’.

Sommige taken van de overheid raken de grenzen van haar seculariteit. Radicalisering van jonge moslims kan een probleem voor de openbare orde vormen, zeker wanneer zij voor terroristische organisaties vechten. Maar lang niet alle jihadi’s hebben een Marokkaanse of Turkse achtergrond, er bevinden zich ook autochtone bekeerlingen onder hen.

Mede daarom is het tegengaan van radicalisme in eerste instantie een kwestie van professionals – en niet van buitenlandse geestelijken met een eigen nationalistische of religieuze agenda.