Witte kangoeroe

Op weg naar de tandarts was ik al langs de viskar op de Europaboulevard gekomen. Daardoor kon ik tijdens het onaangename gekras op mijn glazuur aan niets anders meer denken dan aan haring. Na de eeuwige belofte van het beter flossen en tandenstokers gebruiken, fietste ik dus linea recta terug naar ‘Viscar Bert’. Tevreden hapte ik even later in mijn broodje. Ineens viel mijn oog op de ingang van een park. Ik had eigenlijk een heleboel te doen die dag, maar de zon scheen zo lekker, het park zoog me naar binnen. Ik kon daar best even mijn broodje eten. Toen ik de hekken door was, realiseerde ik me dat ik hier nog nooit was geweest. Vrij onlogisch voor iemand die, op enkele pauzes na, zowat haar hele leven in Amsterdam-Zuid heeft gewoond.

Mijn zusje belde. Ze vroeg wat ik aan het doen was. „Zeg je Amstelpark? Dat meen je niet! Weet je dat ze daar een echte albino kangoeroe hebben?” Ze zei het alsof Sir Paul McCartney daar ter plekke te bewonderen was. We hingen op. Ik was inmiddels pardoes bij een labyrint aangekomen. Een echt labyrint. Ik liep er heel even in, maar voelde me toch een beetje belachelijk. Het zou echt iets voor mij zijn om daar dan uren lang niet meer uit te komen. Bovendien: ik had spontaan mijn plannen veranderd: ik ging opzoek naar de witte kangoeroe.

Ik wandelde het labyrint weer uit en zag een kanariegele tafel met twee stoelen pontificaal in het park staan, maar let wel: van het formaat reus. Even verderop lag een midgetgolfbaan. Misschien ter compensatie. Wellicht zou er straks ook ergens een Maartse haas opduiken, of een dodo.

Ik wandelde rustig verder opzoek naar de witte kangoeroe. Het opvallendste in het park was de stilte en de rust. Er was geen mens te bekennen. Niet te vergelijken met het Vondelpark op zo’n dag als vandaag. Waarschijnlijk kwam dat ook omdat hier geen fietspaden waren.

Ik zag en rook prachtige bloemen, ik gluurde naar binnen bij een dromerig verlaten ‘Rietveldhuisje’ dat ook in het park bleek te zijn en waar karkassen van insecten uitgestald lagen. Ik verbaasde me inmiddels nergens meer over. Er landde een vlinder op mijn hand. Veel te lang dwaalde ik door dit paradijselijke stukje Amsterdam. En ineens zag ik hem: de witte kangoeroe. Hij droeg geen horloge en had geen haast, maar zat rustig voor zich uit te staren in de schaduw. Of stond, dat is bij kangoeroes nooit helemaal duidelijk.

Toen ik eenmaal de uitgang van het park weer vond – u ziet, ik heb geen labyrint nodig om te verdwalen – viel mijn oog op het bankje waar ‘ I Amstelpark’ op stond. Een slogan die nog lulliger is dan het ook al zo ergerlijke ‘I amsterdam’ omdat je ‘park’ als ‘perk’ gaat uitspreken. Het was het enige waardoor ik zeker wist dat ik dit alles niet gedroomd had, dat ik niet in Wonderland was geweest, maar wel, eindelijk, in het wonderlijke Amstelpark.