Wat drijft een acteur, wat is zijn eigen kern en wat is een verhaal?

Na Vuur stelen (2008), de roman waarin een voormalige toneelvernieuwer ontgoocheld het soezerige maatschappelijke en artistieke klimaat van hedendaags Amsterdam aanschouwde, is ook de nieuwste roman van Willem van Zadelhoff in de wereld van het theater gesitueerd.

We volgen hierin Max Hofman, een acteur van gevorderde leeftijd die van Amsterdam naar Antwerpen reist om een rol te spelen in een enscenering van Tsjechovs De Meeuw. Hofman speelt Trigorin (een oudere schrijver), zijn ex-vrouw Tanja speelt ook in het stuk mee. En er loopt ook nog een fris van de Toneelschool geplukt blaadje rond die de naiëve Nina moet vertolken.

Dat Hofman een beetje blasé is, wordt al vroeg duidelijk. ‘Het zijn vooral de eerste minuten in een andere stad die de moeite waard zijn. Daarna wordt het al snel routine’, zegt Hofman als hij nog maar net het Antwerpse station uitwandelt. Maar is het Hofman zelf wel die hier zo temerig uit de hoek komt? Want wat lezen we even later in een ogenblik van zelfreflectie? ‘Ik werd gevormd door mijn rollen, geleefd door de personages die ik speelde.’

U voelt waarschijnlijk al aankomen dat het Van Zadelhoff te doen is om de vraag of iemand die altijd rollen speelt wel een eigen kern heeft. Dat is natuurlijk een dijk van een cliché (dat ook al vele malen eerder door andere schrijvers is behandeld), maar het opvallende is dat het hier fris en vooral strak wordt opgediend, zodat Hofman nooit een ouwe, melancholieke zeurkous wordt.

Los van de vermakelijke en goed ingevoerde spiegelingen tussen de De Meeuw en Hofmans werkelijkheid is er van allerlei anders in dit boek te vinden. Zo krijgt Hofman van een ijverige uitgever het verzoek of hij zijn Antwerpse dagen in een dagboek wil verwerken, waarna je vervolgens niet goed meer weet of je nu zijn dagboeknotities zit te lezen of iets anders. En waarin wijkt een dagboek eigenlijk af van een in de ik-vorm vertelde roman?

Kortom: Van Zadelhoff is helemaal niet geïnteresseerd in warm drama omtrent Hofman, hij wil slechts koude vragen stellen over wat een verhaal is, en wanneer een verhaal overgaat in literatuur. Helemaal conceptueel wordt het echter niet, want er valt in De nachten van Hofman ook nog een moeder-zoonlijn aan te treffen. En die zijn nooit koud.