Opinie

Omdat je in een zwarte Golf rijdt

‘Ik ben vijftien, zestien keer aangehouden’’, zegt Jeansen Djaoen uit de Afrikaanderwijk in Rotterdam. „En elke keer was het excuus: ‘Je voldoet aan het signalement’.” Gisteravond stond hij op een veldje in Rotterdam-West. Geboren op Curaçao, sikje, zwart-witte pet en zwart-wit vest met daarop de tekst 010 Isn’t just a code. Hij werkt bij een lokale radiozender. Tegenover hem staat Marco den Dunnen, hoofdagent van bureau Marconiplein. „Als het signalement is: donkere man met zwart-witte pet, dan voldoe je daaraan”, zegt Den Dunnen.

Jeansen vertelt hoe hij een paar maanden geleden op metrostation Rhoon werd aangehouden. „Ineens werden de poortjes opengebroken en denderden er drie agenten door die mij aanhielden, omdat ik verderop op straat meisjes zou hebben lastiggevallen”, zegt hij. „Maar dat kán toch niet.”

„Het kan wél”, zegt Den Dunnen. „Iedereen heeft een telefoon en belt de politie. Daar moet je maar mee dealen.”

„Als het zo vaak gebeurt, zeg ik: Ik voldoe niet aan een signalement, maar aan een excuus.”

Op het veldje staan zo’n dertig jongeren en vijf politieagenten te discussiëren. Vier jongeren van organisatie Control Alt Delete hebben ze bij elkaar gebracht op een barbecue, betaald uit eigen zak. „Er zijn binnen de politie rotte appels die discrimineren”, zegt organisator Jair Schalkwijk. „Het wordt tijd dat de politie die eruit schift.” 7 procent van de Marokkaanse jongeren maakt zich schuldig aan strafbare feiten, zegt Schalkwijk, de rest wordt op uiterlijk aangehouden. „Omdat je in een zwarte Volkswagen Golf rijdt.”

Vanavond zijn er welwillende agenten. „De eikels”, zegt Den Dunnen, „die komen niet.”

Vijf jaar geleden verbleef ik anderhalf jaar in de Afrikaanderwijk, de oudste migrantenwijk van Nederland. De meeste bewoners waren van Turkse of Marokkaanse afkomst. Het wemelde elke avond van de jongens op straat, vaak waren ze werkloos, soms crimineel.

Ze werden liefdevol begeleid door twee wijkagenten, die van elke jongen wisten tot welke familie hij behoorde. Zij waren de good cops. De noodhulpagenten die bij ongeregeldheden in een busje de wijk binnenvielen, waren de bad cops. De jongens huilden toen een wijkagent werd overgeplaatst.

In vijf jaar zijn in de microkosmos van de Rotterdamse politie en de straatjeugd twee dingen veranderd. Toen was er geld voor wijkagenten, na invoering van de Nationale Politie, moeten drie agenten van bureau Maashaven hun aandacht over vier wijken in Rotterdam-Zuid verdelen.

En toen had niemand het in de Afrikaanderwijk over discriminatie door de politie. De jongens klaagden wel over de noodhulpbusjes. Tijdens het vreugdevuur op Oudjaar stortten ze zich met overgave op de bad cops. Zo was het spel. Nu staat de aanpak van ‘etnisch profileren’ – verdachten selecteren op afkomst – binnen het korps op de agenda van de Nationale Politie.

Op het veldje in Rotterdam-West erkent hoofdagent Marco den Dunnen dat „sommige agenten in een crisissituatie direct los gaan. Besteed nou even een minuut aan de voorbereiding voor je uitstapt.” Er is volgens hem wel iets veranderd: als een agent discrimineert en daar komt een klacht over binnen, dan spreekt de chef van dienst hem daarop aan. „Iedere agent moet zijn gedrag kunnen verantwoorden.”