Liberalen en feministen: jullie geloof in de happy hooker is vals

Liberalen, opgelet: moraliseren over andermans keuzes is allerminst in strijd met het liberalisme. En feministen, kijk niet naar die ene ‘happy hooker’ maar naar de 70 procent die wordt uitgebuit, betogen Dick Pels en Gert-Jan Segers.

Prostituees op de Wallen, Amsterdam. Foto’s Rien Zilvold
Prostituees op de Wallen, Amsterdam. Foto’s Rien Zilvold

Alleen al op de Amsterdamse Wallen zijn acht Hongaarse bendes actief, zo meldde het Openbaar Ministerie onlangs. Jaarlijks zijn er meer dan 1.000 meldingen van signalen van mensenhandel in de prostitutie. Het zijn droge cijfers, maar er gaat een zee van verdriet, uitbuiting en mishandeling achter schuil.

Het zijn soms de details die daar iets van laten zien. Zo vertelde een OM’er dat sommige sociaal geïsoleerde prostituees van hun pooiers een hondje krijgen, waar ze zich uit eenzaamheid sterk aan gaan hechten. Als het moment daar is dat de prostituee geïntimideerd moet worden, dan wordt zo’n hondje voor de ogen van de prostituee gedood. Van werkweigering zal daarna geen sprake meer zijn en de aanpak scheelt blauwe plekken op de handelswaar van de pooier: de prostituee zelf.

Naast geweld, is bij veel prostituees sprake van drank- of drugsverslaving en/of een verleden van seksueel misbruik. Bij navraag blijkt dat de meeste vrouwen het vak slechts tijdelijk willen uitoefenen, veel prostituees uit dwang werken of omdat ze geen reëel alternatief hebben. We kunnen vaststellen dat de poging om door legalisering van prostitutie vrijwillige en onvrijwillige prostitutie te scheiden mislukt is.

Ook de hoop dat door legalisering meer prostituees als zelfstandig ondernemer zouden gaan werken, bleek ongegrond. Vooral in raamprostitutie werken de meeste prostituees met en voor pooiers. In theorie hoeft dit geen probleem te zijn, maar in de beleving van prostituees bestaan er geen goede pooiers (Project Emergo 2011, p. 84). Prostituees zijn dus kwetsbaar. Ze lopen risico’s op vernedering, geweld, uitbuiting en ziektes die de gemiddelde werknemer in de dienstensector nooit zou accepteren. De kwetsbaarheid is met name groot voor vrouwen die uit het buitenland naar Nederland zijn gekomen.

Als gevolg van het werk van het OM, de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en verhalen van journalisten hebben we steeds beter zicht op de waarheid achter de Wallen. Geen wonder dat de kritiek op de prostitutiepraktijk groeit en dat ook politiek meer initiatieven worden genomen in de strijd tegen gedwongen prostitutie en mensenhandel. Maar wat in het huidige maatschappelijke en politieke debat opvalt, is dat sommige liberalen en feministen moeite hebben om voluit kritisch te zijn op de huidige, vaak ontaarde prostitutiepraktijk.

Doorgeschoten angst voor paternalisme

Weinig liberalen durven de vraag te stellen of het werkelijk een verworvenheid is om je lichaam te mogen verkopen. Vanuit een doorgeschoten angst voor paternalisme, is het liberalisme in zijn vrijheidsopvatting ver afgedwaald van wat bijvoorbeeld John Stuart Mill voor ogen had. In zijn standaardwerk On Liberty schrijft Mill dat „mensen elkaar moeten helpen om het goede van het kwade te onderscheiden, en elkaar aanmoedigen het eerste te doen en het tweede te laten”.

Moraliseren over andermans keuzes is volgens John Stuart Mill allerminst in strijd met het liberalisme. Keuzevrijheid is namelijk geen doel op zich, maar een middel om te leven conform eigen idealen en je te ontwikkelen tot authentiek individu. En dat is nauwelijks te doen in de wereld van prostitutie.

Ook veel feministen staan kritiekloos ten aanzien van prostitutie en projecteren de ervaringen van de enkele ‘happy hooker’ op de grote meerderheid van vrouwen in vaak beroerde omstandigheden. Ondertussen is een prostituee het vleesgeworden archetype van de vrouw die zich als inwisselbaar lustobject aanpast aan de wensen van de man en die geen andere rol heeft dan hulpmiddel te zijn voor zijn bevrediging.

Prostitutie is geen gewoon beroep en zou dat ook niet moeten zijn. In plaats van het beroep te willen normaliseren, met vrijwilligheid als ideaal, is het beter om juist dwang en uitbuiting en dus de intrinsieke kwetsbaarheid van prostituees als ‘normaal’ te beschouwen. 70 procent onvrijwilligheid lijkt om en nabij het meest realistische cijfer te zijn. Daarom moeten we ons niet laten misleiden door de schone schijn van een zichzelf feliciterende prostitutie-elite en de valse romantiek van wat vice-premier Lodewijk Asscher ooit ‘comfortfeministen’ noemde. Als vaandeldraagsters van het recht op diversiteit en seksuele vrijheid zou de solidariteit van feministen juist moeten uitgaan naar de massa van vrouwen die door prostitutie structureel in hun waardigheid worden aangetast.

Prostitutie is in Nederland nooit als zodanig verboden geweest. De opheffing van het bordeelverbod in 2000 had niet zozeer de legalisering van ‘sekswerk’ als wel die van de ‘pooierarbeid’ tot gevolg. De arbeidsrechtelijke verhouding tussen exploitant en prostituee werd vanaf dat moment primair beschouwd als een zaak tussen ‘werkgever’ en ‘werknemer’, waar de overheid zich niet langer in moest mengen. Het is dus niet strafbaar om pooier te zijn, terwijl het pooierschap vaak middel is voor dwang en uitbuiting.

We moeten prostitutie ontmoedigen

Wat ons betreft is in plaats van een normaliserende ‘emancipatiestrijd van sekswerkers’ een beleid van terugdringing en ontmoediging nodig. Dat betekent ook dat het logisch is om de uitbuiting van prostituees door pooiers in een werkgever-werknemersrelatie wettelijk aan banden te leggen. En juist liberalen en feministen hebben goede redenen om dat pleidooi te steunen.