Kletspraatjes op de thee bij Swann

Martin de Haan en Rokus Hofstede hebben Prousts eerste boek van zijn zevendelige cyclus opnieuw vertaald. Pionierswerk hoefden ze niet te verrichten, maar welke keuzes maakten ze, en waarom?

Illustratie Paul van der Steen
Illustratie Paul van der Steen

Swanns kant op is de levendige titel van een nieuwe vertaling van Du côté de chez Swann (1913), het eerste boek van Marcel Prousts zevendelige romancyclus Op zoek naar de verloren tijd (À la recherche du temps perdu). Dit eerste boek, dat zelf weer uiteenvalt in drie delen, is twee keer eerder in het Nederlands vertaald, beide keren onder de titel De kant van Swann.

In Prousts roman, ontzagwekkend in kwaliteit en kwantiteit, staat ‘de kant van Swann’ voor de klasse van de hoge burgerij, die aanvankelijk strikt gescheiden lijkt van die van de oude adel, ‘de kant van Guermantes’. Maar de twee kanten hebben ook een topografische betekenis, ze vormen het antwoord op de vraag: welke kant gaan we vandaag op? Vanuit het dorp Combray, waar de verteller (‘Marcel’) de zomers van zijn jeugd doorbrengt, maakt hij met zijn ouders bij mooi weer een lange wandeling door een rivierlandschap, de streek van Guermantes, en bij bewolkte hemel een kortere wandeling die langs het landgoed van Charles Swann voert.

Wat hebben Martin de Haan en Rokus Hofstede gedaan met de beroemde openingszin: ‘Longtemps, je me suis couché de bonne heure’? Nico Lijsen vertaalde deze in 1970 met: ‘Heel lang ben ik vroeg naar bed gegaan.’ Thérèse Cornips in 2009 met: ‘Lang ben ik bijtijds gaan slapen.’ De Haan en Hofstede: ‘Er is een tijd geweest dat ik vroeg naar bed ging.’ In hun nawoord verdedigen ze hun keuze ‘longtemps’ weg te laten met de opmerking: ‘uiteindelijk doet de lengte van die vervlogen tijd er ook niet toe: het gaat erom dat hij voorbij is.’ Als dat zo is, had Proust toch kunnen schrijven: ‘Il fut un temps où je me couchais de bonne heure’?

De opmerking van de vertalers (‘het doet er niet toe’) is wat al te nuchter als je het over Proust hebt, die uitblonk in het onderscheiden van de subtielste gewaarwordingen. ‘Longtemps’ is een indicatie van duur, en duur – uitgestrektheid in de tijd – is precies waar het in de hele roman om draait. ‘Longtemps’ heeft bovendien een duidelijke functie in de situatie die de verteller in het eerste hoofdstuk omstandig uiteenzet: ‘jarenlang was mijn jeugd, wanneer ik ’s nachts wakker lag en eraan terugdacht, niet meer dan een handvol geïsoleerde herinneringen voor mij... totdat ik een madeleine in de thee doopte.’

Treffende observaties

Swanns kant op is een knappe vertaling, laten we dat vooropstellen. Het is wel zo dat we al over twee knappe vertalingen beschikten, waarvan er één pas zes jaar oud is, en dat een derde versie hoge verwachtingen wekt, al is het alleen maar omdat De Haan en Hofstede het werk van hun voorgangers konden raadplegen, wat bij het doorgronden van Proustiaanse zinnen een onschatbaar voordeel is.

Als ze dat voordeel ten volle hadden benut, hadden ze de lezer slordigheden kunnen besparen. Ze hebben het over een reiziger die ‘heeft moeten afstappen in een [...] hotel’, terwijl ‘coucher dans un hôtel’ simpelweg ‘de nacht doorbrengen’ (Lijsen) of ‘overnachten’ (Cornips) in een hotel is. Een rond een kerktoren cirkelende ‘corbeau criant’ is een roepende kraai of een krassende raaf, maar in ieder geval geen ‘krijsende’ kraai, en een haardvuur dat een kamer ‘witkalkte met een geur van roet’ is een uiterst ongelukkige vertaling van ‘badigeonnait d’une odeur de suie’.

Deze en andere onzorgvuldigheden (twee personages door elkaar halen, zinsdelen vergeten te vertalen) wegen misschien minder zwaar in het geval van een vertaling die het oeuvre van een buitenlandse auteur voor Nederlandse lezers ontsluit – maar zoals gezegd hebben De Haan en Hofstede geen pionierswerk hoeven verrichten.

Waar het echt om gaat, is natuurlijk de begrijpelijkheid van die berucht lange, complexe zinnen waarmee Proust niet zozeer zei wat hij te zeggen had, als wel er eindeloos omheen draaide. (De spijker op zijn kop slaan was voor deze schrijver een ontoelaatbare simplificatie van de werkelijkheid; dat uitgerekend zijn werk wemelt van de treffende observaties moet hem dan maar vergeven worden.) In het opzicht van de begrijpelijkheid overtreffen De Haan en Hofstede nu eens hun voorgangers, en doen dan weer voor hen onder – dat verschilt per zin.

Nachtkus

Toch is Swanns kant op een aanwinst, want de lezer heeft nu meer te kiezen: het idioom van De Haan en Hofstede is eigentijdser dan dat van hun voorgangers. Ze schrijven ‘kletspraatjes’ waar Thérèse Cornips, met haar voorkeur voor het schilderachtige, ‘palavers’ schrijft. Proust lezen is al zo’n onalledaagse ervaring (door die lange zinnen, maar ook doordat het verhaal zich in hoge Parijse kringen rond 1900 afspeelt) dat zijn taalgebruik, althans op plaatsen waar het niet gemarkeerd is door een eigenzinnige woordkeus, beter niet te barok vertaald kan worden.

Eindelijk ligt Proust weer in de boekhandel. Ook voor wie op voorhand weet dat hij de ruim drieduizend bladzijden van de volledige Recherche nooit zal lezen, heeft dit eerste boek een enorme rijkdom te bieden, met name het eerste deel ervan, Combray, dat de kiem van alle thema’s bevat en ook nog eens een van de allermooiste delen van de cyclus is. Het drama van de jongen die geen nachtkus van zijn moeder krijgt, loopt vooruit op zijn verdriet als Gilberte bij het spelen in het park van de Champs-Élysées een keer verstek laat gaan, om veel later te evolueren in de kwellende angst Albertine te verliezen. De thema’s van tijd en geheugen, de kunst, de ongrijpbaarheid van dingen en mensen (omdat alles afhangt van het perspectief dat je inneemt én omdat alles voortdurend verandert, de waarnemer incluis) – al die thema’s beginnen zich al in Combray te ontvouwen.

Proust lezen kost de nodige tijd en moeite, daar moeten we eerlijk in zijn, maar het gevolg van die inspanning is wel dat je je de tekst echt eigen maakt. Proust lezen heeft veel weg van studeren: vaak moet je eerst gewoon de grammaticale lijn van een zin zien te volgen, met voorbijgaan aan de semantiek de persoonsvorm aanwijzen, op een schoolse manier de hoofdzin scheiden van de bijzinnen, een zekere ergernis bedwingen vanwege de onderbreking in de gedachtegang als gevolg van een nieuwe associatie die de auteur kennelijk per se kwijt moest, soms zelfs een keer opnieuw beginnen omdat je aan het eind van de zin vergeten bent hoe die ook alweer begon, voordat je de betekenis tot je door kunt laten dringen.