Een paard is geen poes

Je komt ze niet vaak tegen: schrijvers voor volwassenen die de kinderboekenwereld betreden. Maar Vlaming Jef Aerts heeft gelukkig lak aan status en schrijft gewoon wat hij vindt dat geschreven moet worden. Na een Biegeliaans sprookje, prentenboek met Marit Törnqvist en een surrealistische wintervertelling verrast hij nu met Paard met laarzen, een mooi huis-tuin-en-keuken-avontuur dat Astrid Lindgren in herinnering roept.

In Paard met laarzen komt de hoofdpersoon Fieke tot haar vaders stomme verbazing op een dag met een paard de woonkamer binnenwandelen. Geen gewoon paard, maar een circuspaard in ruste: een stokoude IJslander met rood geveterde laarzen die Lasse heet en toebehoorde aan de inmiddels overleden Olga bij wie Fieke elke dag langsging. Het op zichzelf steekhoudende argument van Fieke’s vader dat ‘een paard geen poes is’ noopt Fieke een andere woonplek voor Lasse te zoeken. Maar dan duikt de clown Baruso op. Als ‘vriend’ van Olga claimt hij Lasse. Maar: hoe kent Baruso Olga eigenlijk? Heeft zij Olga niet beloofd voor Lasse en ‘zijn tere hoeven’ te zorgen? Is zij niet de enige die zijn beschermende schoeisel aan en uit kan doen? Ze moet Lasse verstoppen. Maar waar?

Dit ijzersterke vertrekpunt resulteert in geestige en spannende scènes, zonder dat de geloofwaardigheid van het verhaal, dat in wezen om de vraag draait hoe vriendschap, trouw en vertrouwen zich tot elkaar verhouden, in het geding komt. Aerts maakt bij monde van Fiekes lichtvoetige en oprechte vertelstem knap invoelbaar hoe haar angst haar belofte te breken en daarmee Lasse te verliezen haar beheerst. Alles wat ze wilde was haar eigen paard, ‘haar eigen eiland’, zoals ze treffend zegt, ‘waar je kan lachen en huilen, dansen en zingen […], waar je je helemaal veilig voelt.’ Maar sinds Fieke Lasse heeft, voelt ze zich onzekerder dan ooit.

Een enkel beeld – hoe mooi ook – klinkt soms wat volwassen voor een meisje van een jaar of elf. Zoals ‘de rimpelvlinder’ die op het door lijntjes en barsten getekende gezicht van Olga woont. Gelukkig zijn de meeste metaforen en zinnen echter van een ontwapenende directheid die het referentiekader van kinderen past. Zo ‘zuigt’ Vos op Fieke’s woorden ‘alsof het snoepjes zijn’, schudt Lasse in draf als ‘een kapotte stoomtrein’ en leert Fieke dat je ‘met een belofte maar nooit weet hoe het afloopt.’