Dijken doorsteken is een zwak verdedigingswapen

Eenderde van de overstromingen in zuidwest-Nederland was in de laatste 500 jaar opzettelijk. Maar het strategisch belang van deze verdedigingstactiek blijkt heel beperkt.

Eenentwintig keer is Zeeland geteisterd door een stormvloed, in de afgelopen 500 jaar. Maar het zijn niet de natuurkrachten geweest die het Zeeuwse landschap in die periode het meest hebben veranderd. Nee, dat waren opzettelijke overstromingen, op touw gezet door mensen. Met name tijdens oorlogen gebeurde dit. De militair strategische overstromingen tussen 1584 en 1586, en die in 1621, hebben de grootste impact gehad, vooral op het landschap van Zeeuws-Vlaanderen.

Dat schrijft historisch geograaf Adriaan de Kraker van de Vrije Universiteit Amsterdam, in een net gepubliceerd artikel (Hydrology and Earth System Sciences, 9 juni). De Kraker bestudeert al 25 jaar de geschiedenis van de Maas-Schelde-delta. Hij is geboren Zeeuw – hij kwam twee weken voor de Watersnoodramp van 1953 ter wereld. Hij woont al zijn hele leven in het dorpje Zaamslag, bij Terneuzen. Hij heeft de eeuwenlange reeks van overstromingen gereconstrueerd aan de hand van talloze documenten in de vele stadsarchieven die hij bezocht. In Middelburg, Den Haag, Brugge, Gent, Antwerpen, Parijs. Daaruit concludeert hij dat, in de periode 1500 tot 2000, ruim 30 procent van alle overstromingen in het zuidwesten van Nederland met opzet is veroorzaakt. In oorlogstijd.

Meestal misten die opzettelijke overstromingen compleet hun doel, zo beschrijft De Kraker in zijn artikel. Ze hadden wel dramatische gevolgen. Zoals in de Tachtigjarige Oorlog.

De Spanjaarden wilden Brugge, Gent en Antwerpen heroveren op de Nederlandse opstandelingen, die onder leiding stonden van Willem van Oranje. Om de oprukkende Spanjaarden te stoppen, besloten de rebellen de polders ten zuiden van de Westerschelde onder water te zetten. Het moest ongeveer een halve meter hoog komen – dat was te hoog om kanonnen en manschappen te verplaatsten, en te laag voor platbodems. Op advies van geraadpleegde experts werden tussen februari 1584 en juli 1586 dijken doorgestoken bij achtereenvolgens Saeftinghe, Kampen, Terneuzen, Sluis-Aardenburg en Axel. In het gebied woonden toentertijd zo’n 30.000 mensen, zegt De Kraker. Die moesten vluchten. „Sommigen kwamen bij eb terug om van hun hebben en houwen nog te redden wat er te redden viel.” Boeren werden niet gecompenseerd voor de schade die het zoute water aan gewassen aanrichtte, want de strategie was in het algemeen belang. Zo zie je maar weer, zegt De Kraker: „In oorlogstijd wordt de gewone burger meedogenloos opgeofferd.”

Helpen deed deze militaire tactiek overigens niet. De Spanjaarden heroverden Gent, Brugge en Antwerpen. Daardoor werd meteen de geldtoevoer voor dijkonderhoud afgesneden, want het waren rijke investeerders in de Vlaamse steden die dit financierden. „De opstandelingen namen dat niet over. Ze vonden het wel best”, zegt De Kraker. Ze lieten het overstroomde gebied voor wat het was, net als de Spanjaarden.

Het ondergelopen land werd frontgebied, waar de natuur vrij haar gang mocht gaan. Op de plekken waar de dijken waren doorgestoken vormden zich nieuwe, grote kreken, zoals de Ortheense kreek bij Terneuzen en het Hellegat. Een nieuwe, dikke laag klei, die bij vloed werd aangevoerd vanuit de Westerschelde, zette zich af en bedekte de overblijfselen van huizen, wegen en sloten. Sommige gebieden werden langzaam weer bewoonbaar, maar er vestigden zich dit keer heel andere mensen: protestanten uit de Republiek. Het gebied kreeg dus een nieuw landschap, een nieuwe bevolking, een nieuw dialect en een nieuwe godsdienst, zegt De Kraker. „Alleen het drooggebleven Hulst bleef nog enige tijd onder Vlaamse invloed.”

In de 17e en 18e eeuw was de dreiging van de Fransen reden om wederom stukken land onder water te zetten. Bijvoorbeeld bij Sas van Gent, in 1672. En in 1747 nog een keer. De eerste keer werkte de strategie wel, de tweede keer niet. De Franse legers wisten toch op te rukken.

Doordat het zoute water steeds voor grote schade aan landbouwgewassen zorgde, werd in de 18e eeuw een uitgekiend netwerk van kanalen en sluizen aangelegd, bedoeld voor de opslag van zoet water. Maar nu duurde het weken, en niet langer dagen, om een groot gebied blank te zetten. En dat was weer veel te lang in geval van een verrassingsaanval door de vijand. In reactie daarop ontwikkelde zich een netwerk van spionnen, die ruim op tijd waarschuwden voor gevaar. Maar ook niet altijd met succes. Want in 1784-1785 bleek een opzettelijke overstroming „volkomen onnodig”, schrijft De Kraker. Men vermoedde het oprukken van de vijand, maar die kwam niet.

In de Tweede Wereldoorlog is de overstromingstactiek weer gebruikt. De Duitse bezetters wilden de geallieerde opmars afremmen en lieten delen van Zeeuws-Vlaanderen, Schouwen-Duiveland en Tholen onder lopen. Maar het stopte de opmars van de geallieerden niet. Die zetten op hun beurt Walcheren onder water. Met de nodige bijkomende schade. Op 3 oktober 1944 verwoestten Britse vliegers niet alleen de dijk bij Westkapelle, maar ook het dorp zelf. Er vielen 158 doden. Hoge uitzondering: dit keer bleek de strategie wél effectief. Ruim een maand later werd het Duitse leger op Walcheren verslagen.

De Kraker is zijn werk aan de VU aan het afronden, zegt hij. „Gevolg van bezuinigingen.” Vorig jaar is de groep geo- en bioarcheologie, waar hij onder viel, opgeheven. Hij heeft nu tijdelijk onderkomen bij het erfgoedinstituut CLUE van de faculteit Letteren. Maar zijn contract loopt aan het eind van het jaar af.